Zombiebanken en hoe ze terug tot leven te wekken

illustratieTerwijl beleidsvoerders willen focussen op een economisch herstel, wordt de aandacht telkens opnieuw opgeëist door problemen in de banksector. Ondanks kapitaalinjecties ter waarde van 5.9 procent van het Belgische BBP, lijken Dexia, KBC en Fortis bijvoorbeeld verre van gezond en worden verdere staatsingrepen niet uitgesloten. Het leed van de financiële sector is nog niet geleden, helaas. Overheden hebben nog slechts enkele opties tot hun beschikking om een faillissement van een systeembank te voorkomen.

De bankproblemen voor dummy’s

De idee is de volgende: Veronderstel een fictieve bank met een actiefwaarde van 100 miljard euro. Uiteraard bedraagt de passiefzijde (de financiering) eveneens 100 miljard. Voor de eenvoud veronderstellen we verder dat deze passiefzijde bestaat uit eigen vermogen ter waarde van 20 miljard euro en uitstaande leningen ter waarde van 80 miljard. Deze bank is solvabel. In principe kunnen de bankactiva geliquideerd worden om aan de schuldverplichtingen te voldoen. Er bestaat zelfs nog een marge van 20 miljard.

De bank in kwestie heeft evenwel ongelukkige keuzes gemaakt en herverpakte Amerikaanse hypotheekleningen aangekocht. Veronderstel dat de bankactiva opgedeeld kunnen in “toxische activa of bad assets” (waarvan de kans groot is dat ze niet zullen opbrengen en die momenteel moeilijk verhandeld kunnen worden in de vrije markt) en “veilige activa of good assets” à rato van respectievelijk 40 miljard euro en 60 miljard euro. De toxische activa die vorig jaar nog geboekt werden aan een waarde van 40 miljard euro, zijn evenwel minder waard gebleken. Om de boekwaarde van de toxische activa overeen te stemmen met de werkelijke marktwaarde, vinden er afboekingen plaats; de toxische activa worden op bijvoorbeeld 30 miljard euro geschat. Dit vreet aan het eigen vermogen dat na deze afboeking nog 10 miljard euro waard is. De bank blijft echter solvabel.

Solvabiliteitsprobleem

Indien de markt de waarde van deze slechte activa nu beneden de 20 miljard euro schat, heeft onze fictieve bank een solvabiliteitsprobleem. De verkoop van alle activa zou immers niet langer volstaan om alle schulden af te betalen. Een neerwaartse spiraal zet zich in. Wetende dat de instelling niet langer in staat is om alle schuldeisers uit te betalen, verlaat men het zinkende schip door geld terug te trekken. Aandeelhouders verkopen massaal aandelen en andere financiële instellingen weigeren nog geld uit te lenen. Finaal gaan depositohouders, vrezend voor een aankomend faillissement, hun deposito’s opvragen. Een zogenaamde bank run zet zich in. Zoals gezegd heeft de bank onvoldoende middelen om deze terugtrekking van kapitaal tegen te gaan en ze gaat dan ook overkop zonder overheidsingrijpen.

Zombiebanken

Dit bovenstaande scenario heeft zich de voorbije maanden met de regelmaat van een klok voorgedaan over de hele wereld. Gezien de onduidelijkheid van de waarde en de verspreiding van bad assets, is het vertrouwen in de hele banksector ingezakt. Niemand weet immers welke bank nog solvent is en welke niet. Om zich in te dekken tegen deze onzekerheid, eist de markt telkens extra zekerheden. Terwijl een kapitaalbuffer (de zogenaamde tier 1) van 10% vroeger als volstrekt excessief werd aanzien, valt dit momenteel onder het vereiste minimum, zo lijkt het. Expliciete overheidsgaranties waren niet zo lang geleden haast ondenkbaar en zijn op dit moment gemeengoed bij praktisch alle grote banken. Elk slecht nieuws (denken we bijvoorbeeld maar aan een slecht rapport van een kredietbureau) leidt onvermijdelijk tot een kapitaalvlucht. De totale activa van de gemiddelde grote West-Europese bank bedraagt 35 maal het eigen vermogen, waardoor een relatief kleine ontwaarding van deze activa meteen fataal kan worden.

De term “zombiebank” valt wel eens in dit verband; hiermee worden financiële instellingen bedoeld die virtueel failliet (dood) zijn, maar kunstmatig in leven gehouden worden door de overheid (en de verwachting dat de overheid opnieuw zal ingrijpen indien nodig). Net zoals de creaturen uit de horrorfilms lijken deze banken normaal te functioneren, maar doen ze dit niet. De kerntaak, het verlenen van leningen aan particulieren en ondernemers, wordt ondergeschikt aan het rekken van het eigen bestaan. Banken die virtueel failliet zijn, houden typisch liever extra kapitaalbuffers aan en beleggen bij voorkeur in ultraveilige overheidsobligaties in plaats van verdere risico’s aan te gaan, met alle gevolgen vandien voor het bedrijfskrediet. Hoe kunnen deze banken opnieuw tot leven gebracht worden?

Weinig afdoende maatregelen

Aangezien een bankfaillissement al helemaal nefaste gevolgen zou hebben voor de kredietverstrekking, moet de overheid banken in nood bijspringen. Een aantal instrumenten hebben overheden over de hele wereld al uitvoerig ingezet:

  • Fuseren met een sterkere partner

De overheid, en aldus de belastingsbetaler, hoeft geen middelen ter beschikking te stellen van noodlijdende financiële instellingen. De fusie met een andere bankgroep garandeert ook een deskundig en ervaren management van de bank in nood. Bovendien kan er een operationele meerwaarde ontstaan indien beide instellingen complementair zijn.

De ervaringen met Fortis en BNP Paribas leren ons echter dat sterke fusiepartners in de praktijk minder stabiel zijn dan ze ogen. Vrijwel alle financiële instellingen kunnen momenteel in moeilijkheden komen, waardoor de liquiditeitsproblemen van de overgenomen bank niet opgelost raken. In het geval Fortis bijvoorbeeld zou de Belgische overheid de spaartegoeden ultiem garanderen, ook bij een overname door BNP Paribas. Bovendien is het niet evident om privé-kapitaal te vinden te midden van de huidige crisis en zal de onderhandelde prijs van een overname allicht erg laag zijn.

  • Kapitaalinjecties van de overheid

Kapitaalinjecties hebben vaak slechts een tijdelijke maatregel gebleken. Wanneer de ingeschatte waarde van de bankactiva dalen en de bank extra afboekingen moet uitvoeren op haar portefeuille volstaan eerder ingebrachte kapitaalinjecties niet langer. Om bovenstaand voorbeeld aan te houden, zou onze fictieve bank een kapitaalinjectie behoeven indien de bad assets op een waarde van 18 miljard euro worden geschat.  Een kapitaalinjectie van 5 miljard volstaat hier ruimschoots voor. Indien, enkele maanden later, de problemen zich opstapelen en er nog een waardeafboeking van 3 miljard plaatsvindt, moet de  overheid opnieuw bijspringen. Hierdoor kan de indruk ontstaan dat er geld in een bodemloze put gegooid wordt. In verschillende landen is er daarom een “tweede ronde” van kapitaalinjecties aan de gang. KBC is een voorbeeld in kwestie. Na een eerdere kapitaalinjectie van de federale overheid namen de twijfels toe omtrent de waarde van activa en moest de Vlaamse overheid opnieuw met geld over de brug komen.

  • Bankgaranties

Zowat alle grote instellingen beschikken over bankgaranties van overheidswege om zich te financieren op de interbancaire markt. Deze garanties lijken momenteel echter slechts een absoluut minimum te zijn om het vertrouwen te herwinnen en verhelpen niets aan de acute solvabiliteitsproblemen die kunnen onstaan door een afboeking aan de actiefzijde.

Noodzaak tot ingrijpender maatregelen

Nu blijkt dat kapitaalinjecties en overheidsgaranties en herstructureringen geen fundamentele zoden aan de dijk zetten, denken overheden in toenemende mate aan andere maatregelen. Sinds kort is het woord (en naar het lijkt alliteratie) “bad bank” sterk opgekomen in de Nederlandse taal. Regeringen van de VS tot Japan overwegen om een speciale bank op te richten waar alle niet-performante bankactiva in verzameld wordt. Het is niet verwonderlijk dat dit momenteel in de media komt. Op hetzelfde moment worden banken als het Duitse Real Hypo Estate genationaliseerd en groeit de speculatie rond de nationalisatie van het Amerikaanse Citigroup.

  • Bad banks

De toxische activa van banken wordt overgekocht en onder curatele van de overheid geplaatst. Hierbij kan overgegaan worden tot een “grote bad bank”, waarbij de slechte activa van verschillende banken van een land worden gecentraliseerd of verschillende “kleine bad banks” waarbij de slechte activa van verschillende banken ondergebracht worden in aparte vehikels. Het grote voordeel van een dergelijke operatie is dat de bank zich finaal verlost van de toxische activa. Twijfels over de waarde van deze activa komt ten laste van de overheid en dus niet van de bedrijfssector. Het gezonde deel van de bank hoeft niet langer te vrezen voor afboekingen of kapitaalvluchten en kan weer volop leningen verstrekken en investeringen aangaan zonder een extreem hoge kapitaalbuffer aan te houden.

Zoals vaak vermeld in de pers staat of valt de creatie van een bad bank met een correcte prijszetting. 40 miljard euro bieden voor activa waar de markt momenteel nog geen 20 miljard euro voor veil heeft, lijkt op een gigantische beloning voor banken die in het recente verleden overmatig veel risico hebben genomen. Zoals vermeld in een eerder artikel (link) moeten overheden vermijden om aandeelhouders te belonen met belastingsgeld. Indien de overheid slechts 10 miljard wil bieden voor de bad assets, helpt dit de solvabiliteit van de bank niet. De 10 miljard euro tesamen met de 60 miljard euro aan good assets volstaan immers niet om te voldoen aan de 80 miljard euro uitstaande verplichtingen (tenzij er geen extra kapitaalinjecties komen). In bovenstaand geval moet de overheid 20 miljard bieden voor de toxische activa en hopen dat, wanneer deze bancaire crisis achter de rug is, ze deze producten kan verkopen aan een goede prijs.

Niet zo eenvoudig als het lijkt

Een aantal vereenvoudigingen zijn gemaakt in bovenstaand verhaal. Allereerst is het onduidelijk wat die toxische activa nu precies inhouden. Herverpakte Amerikaanse subprime hypotheekleningen horen hier ongetwijfeld bij, maar de vraag is wanneer bankactiva voldoende secuur zijn om niet langer als toxisch bestempeld te worden. Zijn hypotheekleningen van het “prime segment” bijvoorbeeld voldoende veilig. Nu de crisis losbarst,  komt de terugbetaling van bijvoorbeeld kredietkaartschulden en bedrijfsleningen meer in het gedrang, en worden meer en meer bankactiva twijfelachtig.

Dit bemoeilijkt de keuze van overheden. Welke activa moeten overgekocht worden en welke niet? Indien onvoldoende activa worden overgekocht, volstaat dit mogelijk niet om de markt gerust te stellen, zal de bank in kwestie nog steeds weinig leningen toekennen en zal het probleem niet fundamenteel van de baan zijn. Een moeilijke evenwichtsoefening dient zich aan. Indien de overheid een goede prijs biedt voor een ruime waaier aan activa, zal dit een enorme hap uit de staatskas inhouden en de belastingsbetaler opzadelen met een zware kater. Indien slechts een klein deel van de bankactiva worden overgekocht aan een lage prijs, bestaat het risico dat de problemen niet fundamenteel van de baan zijn en de bank zich alsnog geconfronteerd ziet met een nakend faillissement.

  • Nationalisaties

Nationalisaties zijn een alternatief voor het oprichten van een bad bank. In beide gevallen zijn de toxische activa in handen van de overheid en zal de solvabiliteitspositie niet in het gedrang komen bij een ontwaarding van een toxisch activum. De overheid zou in een dergelijk scenario, via de aangestelde bestuurders, de kredietkraan weer open kunnen draaien. Dit vormt ook meteen het nadeel van een nationalisatie. Overheden zijn weinig geschikt om grote banken te runnen. Politieke belangen zouden immers bijna onvermijdelijk een rol beginnen spelen in het gevoerde bankbeleid. De voorbeelden zijn legio. Zo zouden bestuurders mogelijk aangesteld kunnen worden omwille van hun politieke familie in plaats van hun expertise. Ondernemingen zouden leningen kunnen ontvangen op basis van hun connecties of lobbywerk in plaats van hun ingebrachte dossier. Burgemeesters zouden kunnen verhinderen dat er een bankkantoor dichtgaat in hun gemeente.

Om deze reden zouden nationalisaties idealiter vermeden moeten worden. In de praktijk zullen verdere (gedeeltelijke) nationaliseringen evenwel niet kunnen uitblijven. Banken met acute liquiditeitsproblemen behoeven een kapitaalsinjectie op korte tijd. Aangezien de privé-sector waarschijnlijk niet met geld over de brug zal komen, moet de overheid deze rol op zich nemen en is het niet meer dan logisch dat ze extra stemmen krijgt in de raad van bestuur.

Conclusie

Overheden hebben geen andere keuze dan de grote banken bij te staan. Kapitaalinjecties, overheidsgaranties en het fuseren van financiële instellingen zijn onvoldoende gebleven om de markt gerust te stellen en de kredietvoorziening weer te herstellen. Talrijke banken zijn virtueel dood en doortastender maatregelen dringen zich op om ze terug tot leven te wekken. Centraal hierbij is dat banken verlost moeten worden van hun toxische activa. Enkel op deze manier kunnen ze terug normaal functioneren en heeft een herstelplan werkelijk zin. De overheid moet deze toxische producten overnemen en onder curatele nemen. Desnoods moet alle activa van een getrokken bank in staatshanden komen (en aldus genationaliseerd worden). Het zal een dure aangelegenheid worden voor de belastingsbetaler. De geschiedenis leert evenwel dat er geen herstel zal komen zo lang de banksector lijdt. Het alternatief zou dus wel eens veel kostelijker kunnen uitvallen.