Zin en onzin van een vermogensbelasting

Na de Verenigde Staten en Frankrijk is het debat ook in ons land losgebarsten: de roep voor een extra vermogensbelasting weerklinkt steeds luider. De theorie klinkt echter mooier dan de praktijk. Allereerst dragen de relatief rijken in ons land al bovenmatig sterk bij aan de staatskas. Daarenboven zou, indien er een democratische meerderheid bestaat om de rijkeren extra te belasten, een eenvoudiger belastingsysteem een veel efficiëntere manier zijn om dit doel te bereiken. VKW Metena verklaart nader.

Zwaarste lasten voor sterkste schouders?

De argumenten voor een bijkomende vermogensbelasting zijn welbekend. Onze overheid moet saneren en de relatief welgestelden komen hierbij al snel in het vizier vanuit de idee dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. Het sterkste argument voor een extra belasting voor de rijken, is misschien van symbolische aard. Als ook de grote vermogens moet bijbetalen om onze overheidsschuld te saneren, zullen andere saneringsinspanningen makkelijker aan de man gebracht worden.

Toch is de zaak voor een zwaardere belastingdruk voor de rijkeren vanuit ethisch standpunt niet zo eenduidig. Het gevoel dat hard werken en ondernemen vooral de overheid en niet de betrokkenen zelf ten goede komt, leeft nu al sterk en niet geheel onterecht. De zwaarste schouders dragen immers al veruit de zwaarste lasten. De belastingdruk ligt hoog in ons land en ons systeem is bovendien erg progressief. Het rijkste deciel van de bevolking staat bijvoorbeeld in voor bijna 40 procent van de totale belastingontvangsten. Onderzoek van professor Decoster van de KULeuven toont aan dat het Belgische belastingsysteem meer herverdelend werkt dan in andere Europese landen. De relatief begoeden tonen zich aldus al zeer solidair met de rest van de bevolking.

Zelfs als er enkel gekeken wordt naar vermogensbelastingen, dragen de vermogenden in ons land al meer dan hun steentje bij. Kapitaal en vermogen, en vooral de inkomens op vermogen, worden wel degelijk belast in ons land en wel meer dan in de meeste andere landen. Er bestaat een roerende voorheffing, belasting op het kadastraal inkomen, beurstaksen, successierechten, registratierechten en dergelijke meer. Het zogenaamde impliciete belastingtarief op kapitaal, dat weergeeft hoeveel kapitaal gemiddeld belast wordt, bedraagt 30,9 procent, zo schat de OESO (cijfer voor 2009), hetgeen ruimschoots boven het EU-gemiddelde ligt. 23 procent van de belastinginkomsten wordt overigens gegenereerd door kapitaalbelastingen, tegenover een gemiddelde van 20 procent in onze buurlanden.

Vermogensbelasting beste manier?

Desondanks is het niet ondenkbaar dat de overheid besluit dat de sterkste schouders toch extra moeten bijdragen. Een tweede vraag die zich dan meteen stelt is of een vermogensbelasting hiervoor de beste manier is. We stellen vijf redenen voorop waarom dit waarschijnlijk niet het geval is.

  1. Onze belastingadministratie heeft een zeer beperkt zicht op de vermogenssituatie van haar inwoners, wat het praktisch gezien zeer moeilijk maakt om hier een belasting op te heffen. De meest recente cijfers omtrent de verdeling van het vermogen, dateren bijvoorbeeld al van 1998. Zelfs over de onroerende goederen die nochtans relatief makkelijk op te sporen zijn, is de informatie zeer verouderd. Het kadastraal inkomen is niet meer aangepast sinds 1975 (en dit ondanks een wettelijke regeling dat er een tienjaarlijkse aanpassing moet komen).
  2. Een gerelateerd argument is dat de naleving en controle op een vermogensbelasting zeer belastend blijkt voor de belastingdienst. Landen als Nederland of Duitsland hebben hun vermogensbelasting afgevoerd, met als belangrijke reden dat de kosten van controle en handhaving niet opwegen tegenover de inkomsten. Voor België, met zijn al overwerkte belastingadministratie en ingewikkelde regelgeving, zal dat niet anders zijn. Dit is overigens ook de achterliggende idee waarom onze overheid het kadastraal inkomen niet aanpast: een dergelijke update kost veel en brengt de overheid weinig op, zo verklaarde Louis Michel acht jaar geleden in naam van minister van financiën Didier Reynders.
  3. Als het al moeilijk blijkt om de onroerende goederen te actualiseren, zal het nog veel lastiger blijken om andere vormen van vermogen of kapitaal in kaart te brengen en te taxeren. De meest vermogenden zijn immers net bij uitstek in staat om hun vermogen uit het zicht van de fiscus te houden of elders onder te brengen. Hierdoor riskeert een vermogensbelasting in de praktijk vooral de (betere) middenklasse te treffen, waardoor een ‘crisisbelasting voor de superrijken’ haar doel compleet zou voorbijschieten.
  4. Daarenboven zal een dergelijke belasting in het slechtste geval tot gevolg hebben dat heel wat vermogende Belgen emigreren, waardoor de staatskas ook geld verliest aan personenbelastingen, belastingen op consumptie en dergelijke meer. De ervaring van Frankrijk leert dat dit een reële bekommernis is. Franse economen hebben enkele jaren geleden berekend dat hun vermogensbelasting in totaal twee keer zo veel kost aan de Franse staatskas dan het oplevert en dus louter om efficiëntieredenen afgevoerd zou moeten worden.
  5. Tot slot kan aangevoerd worden dat een vermogensbelasting op zich weinig rechtvaardig is. Wie vermogen heeft opgebouwd, heeft dit gedaan door hard te werken en te ondernemen, twee activiteiten die al (zwaar) belast worden. Een vermogensbelasting betekent met andere woorden dat werken en ondernemen in een later stadium nog eens opnieuw belast worden.

Vereenvoudiging belastingsysteem?

Indien ons land de beter begoeden zwaarder wil belasten, is een vermogensbelasting voor ons niet de meest efficiënte manier om dit te realiseren. Een vereenvoudiging van het belastingsysteem heeft ons inziens meer merites. De ingewikkelde wetgeving heeft het te makkelijk gemaakt om belastingen te ontduiken op perfect wettelijke manier. Het ‘bewandelen van de minst belaste weg’ is zelfs bijna een heuse kunstvorm geworden. Door het bestaan van managementvennootschappen, schier ontelbare achterdeuren, fiscale aftrekken en dergelijke meer, schiet de staatskas jaarlijks vele miljarden mis. De minderontvangsten van de overheid liepen in 2007 naar schatting op tot 17,24 procent van het BBP. Niet verwonderlijk zijn het net de meest begoeden die het meest gebruik maken van de fiscale ‘trukendoos’ die onze overheid mogelijk maakt.

Een grote kuis binnen de aftrekposten zou in grote lijnen dezelfde doelgroep treffen als een bijkomende vermogensbelasting, maar zonder de hierboven omschreven nadelen. Het heeft weinig zin om een nieuwe, notoir moeilijk te controleren, belasting in het leven te roepen indien de invulling, controle en naleving van de huidige belastingen zo veel te wensen overlaat.