Winst komt iedereen ten goede

Auteur: 
De Standaard

ANTWERPEN - De rendabiliteit van de bedrijven heeft zich hersteld, maar dat betekent niet dat alle bedrijven nu 'superwinsten' maken. Bovendien komt die winst niet alleen de aandeelhouders ten goede, maar ook de gezinnen en de overheid.

Financiën

De voorbije maanden ontstond een ware polemiek over de daling van het 'loonaandeel' - dat is het aandeel van loontrekkenden in het nationaal inkomen of het bbp - dat gezakt is tot onder de 50 procent (DS 6 maart). De spiegelzijde daarvan is dat het aandeel van bedrijfswinsten in datzelfde nationaal inkomen gestegen is. Zeker nu veel (grote) bedrijven na enkele jaren van hoogconjunctuur uitpakken met miljardenwinsten, leidt dat tot de kritiek dat die 'superwinsten' alleen maar de aandeelhouders ten goede komen, terwijl de werknemers al jarenlang een strikte loonmatiging wordt opgelegd.

VKW Metena, de denktank van de werkgeversorganisatie VKW, wil die polemiek doorbreken. Het doet dat met de publicatie van een boek, Winst voor winst, naar aanleiding van het VKW-congres op 18 maart.

In historisch perspectief, zegt directeur Caroline Ven van VKW Metena, zijn de bedrijfswinsten helemaal niet zo hoog. Het klopt dat het brutowinstaandeel in het bbp sinds 2002 fors is toegenomen. Maar het bevindt zich nog altijd maar in de buurt van het langetermijngemiddelde, en nog niet opnieuw op het niveau van eind jaren tachtig (zie grafiek 1).

Die toename van het winstaandeel is vooral te danken aan de toename van het verkoopvolume: 'De sterke conjunctuur wordt vooral gedragen door de stevige binnenlandse vraag. De toename van het winstaandeel is dus niet in de eerste plaats te danken aan een toename van de brutoverkoopmarges', zegt Ven.

Opmerkelijk is bovendien dat het winstaandeel in België sinds de oliecrisis van de jaren zeventig systematisch lager ligt dan gemiddeld in de eurozone. Dat is volgens Ven vooral te wijten aan de hoge loonlasten in België. 'Door de ontsporing van de loonkosten tot het begin van de jaren tachtig, is het winstaandeel in de economie fors weggezakt. Dat heeft geleid tot oplopende werkloosheid. Het herstel is pas ingetreden sinds het midden van de jaren tachtig, toen is ook de werkgelegenheid beginnen te stijgen.' Er is dan ook een positief verband tussen de rendabiliteit van de bedrijven en de evolutie van de werkgelegenheid (grafiek 3).

Natuurlijk keren de bedrijven een deel van hun winst uit aan hun aandeelhouders, in de vorm van een dividend. Maar het herstel van de rendabiliteit heeft niet geleid tot overmatige dividenduitkeringen, besluit VKW Metena uit een analyse van de jaarrekeningen van de Belgische bedrijven. Van 1995 tot 2007 schommelden de dividenduitkeringen tussen de 3,8 en de 5,5 procent van het bbp, in 2007 bedroegen ze 4,9 procent van het bbp.

Dezelfde analyse toont aan dat de investeringen van de bedrijven en de belastingen die ze betalen wél (licht) zijn toegenomen. Vooral dat laatste is opmerkelijk, omdat er de voorbije jaren een belastingverlaging is doorgevoerd. Dat bewijst volgens Ven dat een belastingverlaging terugverdieneffecten met zich brengt. Het toont ook aan dat de bedrijfswinsten niet alleen de aandeelhouders ten goede komen, maar ook de overheid.

Ook gezinnen en particulieren varen wel bij winstgevende bedrijven, zegt VKW Metena. Niet alleen omdat rendabele bedrijven zorgen voor werkgelegenheid, ook omdat steeds meer particulieren ook aandeelhouder zijn. Het gaat daarbij niet alleen om 'kleine beleggers', die rechtstreeks aandelen kopen en verkopen op de beurs. Steeds meer mensen, ook uit lagere inkomensklassen, doen immers aan pensioensparen en beleggen zo onrechtstreeks in bedrijven.

Voor bedrijven vormt de winst die ze maken in goede jaren ook een buffer voor de minder goede jaren. Er zijn immers periodes waarin de nettorendabiliteit op het eigen vermogen lager ligt dan de risicovrije rente (grafiek 2). In dergelijke periodes rendeert het met andere woorden meer om geld te investeren in veilige staatsobligaties of kasbons dan in een risicovolle bedrijfsactiviteit. Vooral kmo's hebben lange tijd een rendabiliteit gehad die lager lag dan de risicovrije rente, en vooral zij hebben dus nood aan zo'n buffer. (kdr)