Wereldeconomie heeft geen nood aan verkapt protectionisme

Vrijhandel is niet altijd in het voordeel van de betrokken landen, stelde Bart Martens vorige week in De Tijd. Volgens de gangbare economische theorie leidt vrijhandel tot specialisatie; landen kunnen zich specialiseren in activiteiten en producten waar ze sterk in staan en andere goederen en diensten goedkoper importeren dan ze ze zelf kunnen produceren. Alle betrokken partijen winnen bij deze specialisatie. Maar volgens Bart Martens gaat deze economische theorie vaak niet op in de praktijk. Landen met een absoluut kostenvoordeel zouden de economische koek te veel opslokken ten nadele van andere landen.

De praktijk wijst evenwel op het omgekeerde. Het meest extreme voorbeeld betreft China, een land dat qua loonkosten een zéér stevig voordeel heeft ten opzichte van OESO-landen en zich opwerkt als 'fabriek van de wereld'. Desondanks is China de grootste exportmarkt voor ontwikkelde landen als Australië, Japan en Zuid-Korea en de op twee na grootste exportmarkt voor de Verenigde Staten en de Europese Unie.

China is geen alleenstaand geval. Zo zijn de recente en indrukwekkende groeicijfers van Duitsland voor een groot deel te danken aan de export naar snelgroeiende markten. Kortom, de wereldhandel verloopt in twee richtingen en in het voordeel van beide partijen, ondanks gigantische verschillen in loonkosten.

Bovendien hebben landen die zich economisch snel hebben ontwikkeld, of dat momenteel aan het doen zijn, dat vrijwel onveranderlijk te danken aan hun inschakeling in het internationale handelsgebeuren. In het verlengde daarvan zou een afbouw van handelsbelemmeringen zowat alle regio's van de wereld ten goede komen. Het welvaartseffect van een verwijdering van alle handelsbarrières wereldwijd bedraagt 0,6 procent van het bruto binnenlands product (bbp) voor OESO-landen, stelt een studie van de Verenigde Naties. Voor landen in ontwikkeling lopen deze baten zelfs op tot 1,9 procent van het bbp.

Vrijhandel leidt tot minder armoede

Een tweede stelling is dat vrijhandel onvoldoende bijdraagt tot armoedebestrijding. Daarin kunnen we ons ten dele vinden. Hoewel vrijhandel onmiskenbaar leidt tot meer economische groei, profiteert niet iedereen daar in dezelfde mate van. De ongelijkheid neemt immers ook vaak toe bij een land in volle ontwikkeling, waardoor het inkomen van de armsten dus vaak minder sterk toeneemt dan gemiddeld.

Martens gaat evenwel verder en suggereert dat vrijhandel leidt tot méér armoede. Zo schrijft hij dat 'vele drenkelingen door vrijhandel te pletter slaan, zonder opgepikt te worden door andere schepen.' In meer prozaïsch taalgebruik: vrijhandel is vaak slecht voor de armen in deze wereld.

Die stelling is pertinent onjuist. Het stimuleren van economische groei, waar vrijhandel een essentieel onderdeel is, leidt tot wel degelijk tot meer welvaart in het belang van iedereen, ook van de allerarmsten. Daarvoor verwijzen we bijvoorbeeld naar een studie van de Wereldbank met de ondubbelzinnige titel 'Growth is good for the poor', waar het empirische verband tussen de openheid tot de wereldhandel en het inkomen van de 20 procent armsten wordt onderzocht in 92 landen.

Vrijhandel spekt de staatskas

Een derde kritiek is dat vrijhandel te weinig zorgt voor afroombare bedrijfswinsten, te weinig doet voor de staatskas. 'De belastingen op bedrijfswinsten zijn afgenomen ten nadele van de belastingen op arbeid', stelt Martens.

De effectieve belastingvoet op bedrijfswinsten is inderdaad wereldwijd gedaald, maar wat daarbij vergeten wordt is dat belastingen op arbeid direct of indirect ook betaald worden door de onderneming waarbij men tewerkgesteld is. Voor Vlaanderen, waar buitenlandse bedrijven goed zijn voor 41 procent van de tewerkstelling (cijfer voor 2007) en met zijn zeer zware belastingdruk op arbeid, zijn buitenlandse investeringen cruciaal, ook voor de staatskas. Onze overheidsfinanciën, en bij uitbreiding ons sociaal vangnet, is dus sterk afhankelijk van de vrije wereldhandel.

Vrijhandel leidt niet tot meer honger en vervuiling

Voorts zou vrijhandel leiden tot meer honger in de wereld en tot meer milieuvervuiling, zegt Martens. Wat het eerste punt betreft, bestaat er weinig of geen bewijs om deze claim te ondersteunen, eerder integendeel (cfr. de argumenten rond armoede). Een afbouw van de handelsverstorende subsidies die landbouwers in de Verenigde Staten, Japan en vooral de Europese Unie ontvangen van overheidswege, zou hoogstwaarschijnlijk net een gunstig effect uitoefenen op de bestrijding van het hongerprobleem.

De andere bezorgdheid, dat wereldhandel negatieve milieu-effecten heeft, is niet helemaal onterecht, maar wordt veelal zwaar overschat. De wereldproductie zal zich niet systematisch verplaatsen naar landen met de meest lakse milieunormen. Een ander onderzoek van de Wereldbank wijst erop dat, indien de EU en de VS de CO2-emissies weten terug te dringen met 17 procent, de uitstoot in landen in ontwikkeling slechts met 1 procent zal toenemen. Vrijhandel hoeft dus niet noodzakelijk te botsen met strengere milieunormen. Landen die momenteel zwaar investeren in energiezuinigheid en milieubewuste technologieën zullen daar integendeel de vruchten van plukken in een geglobaliseerde wereld.

Eerlijke handel?

Kortom, vrijhandel is geen wondermiddel en biedt geen allesomvattende oplossing voor alle wereldproblemen. Zelfs in een compleet geliberaliseerde wereld hebben doelgerichte armoedebestrijding en milieubescherming nog steeds hun plaats. Indien de tegengestelde opvatting leefde bij een groot deel van de bevolking - wat volgens ons sterk te betwijfelen valt - doorprikken we deze 'mythe' rond vrijhandel dan ook graag. Het omgekeerde suggereren, dat vrijhandel een negatieve invloed uitoefent en daarom bij voorkeur beknot moet worden, gaat echter veel en veel te ver.

Dat is echter wel de conclusie van Martens, die op basis van alle 'schadelijke gevolgen' van vrijhandel, dan ook pleit voor een 'eerlijke handel' waarbij sociale en ecologische doelstellingen een belangrijker rol moeten spelen.

Dat is misplaatst en tegen de belangen van de allerarmsten. Allerhande technische handelsbarrières zoals productnormering, technische specificaties en standaarden, die de toegang tot de eigen markt bemoeilijken, zijn al in opmars sinds het uitbreken van de financiële crisis, net als het aantal antidumpingmaatregelen. Deze handelsbelemmeringen schaden het economisch herstel, vooral voor landen in ontwikkeling, waar de mogelijkheden om te voldoen aan allerhande normen en reguleringen van hun rijkere handelspartners vaak ontbreken.

Een oproep tot een sterker gebruik van dergelijke vormen van verkapt protectionisme is het laatste waar de wereldeconomie momenteel nood aan heeft.

In een opiniestuk in de Tijd van 12 augustus trachtte Bart Martens, Vlaams volksvertegenwoordiger voor de sp.a, een aantal mythes over vrijhandel te doorprikken. Johan Van Overtveldt en Kris Boschmans repliceren met genuanceerde vaststellingen omtrent vrijhandel.

Handelsbelemmeringen schaden het economisch herstel van landen in ontwikkeling.

Johan Van Overtveldt & Kris Boschmans

Johan Van Overtveldt is algemeen directeur van VKW Metena, Kris Boschmans is er onderzoeker.
Zijn het niet eens met de kanttekeningen die Bart Martens vorige week plaatste bij de voordelen van vrijhandel.
Vinden dat een sterker gebruik van vormen van verkapt protectionisme het laatste is wat dewereldeconomie kan gebruiken.

© 2010 Mediafin