Welk ondernemingsmodel kies je?

Het nieuwe ‘Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen’ (WVV) van 4 april 2019 vereenvoudigt het juridisch kader voor alle ondernemingen. Minder gebruikte vennootschapsvormen worden afgeschaft. Eindelijk wordt er meer maatwerk mogelijk.

Je zal sowieso wel je statuten moeten aanpassen. Maar het is niet onverstandig om eerst je juridisch adviseur, advocaat, boekhouder of notaris grondig te raadplegen over de talrijke mogelijkheden en voordelen. Denk bijvoorbeeld aan de meervoudige stemrechten, de vlottere winstverdeling of de eenvoudigere overdraagbaarheid van uw aandelen.

'Welke rechtsvorm?’ is misschien wel dé hamvraag die elke (nieuwe) ondernemer of zaakvoerder zich voortaan eerst moet stellen.

Maatwerk

Zoals je kan lezen in allerlei verklarende teksten of samenvattingen, verandert er heel veel. De hervorming is bijgevolg een uitgelezen moment om — ook juridisch — eens alles op een rijtje te (laten) zetten. Want de structuur volgt de strategie. Ben je als ondernemer nog 100% tevreden over je huidige vennootschapsvorm?

Misschien is ‘Welke rechtsvorm?’ wel dé hamvraag die elke (nieuwe) ondernemer of zaakvoerder zich voortaan eerst moet stellen. Kies je voor de zeer flexibele besloten vennootschap (BV) of voor een naamloze vennootschap (NV)? En als je voor een NV kiest, wat is dan voor jou het beste model? Want in de NV kan je nu kiezen uit minstens drie varianten.

  1. Monistisch bestuur

    In deze klassieke variant, die het bestaande systeem verderzet, bestuurt een college van minstens 3 bestuurders (of twee als er geen drie aandeelhouders zijn) de NV. Let wel, een bestuurder-rechtspersoon mag uitsluitend nog één welbepaald natuurlijk persoon als vaste vertegenwoordiger aanduiden.

    Het nadeel van dit monistisch model was dat er vaak nog een of ander soort (wettelijk niet voorzien) managementcomité of executief comité werd opgericht voor de operationele zaken. Maar zo’n ‘extra-statutair’ orgaan had het grote nadeel dat er geen standaardmodel was waarop buitenstaanders zich konden baseren. Hoe konden die zich dan vergewissen van de precieze bevoegdheden van een dergelijk comité? Wanneer moest de raad van bestuur een beslissing van zijn CEO of executief comité wel of niet bekrachtigen? In dit model waren alle leden van de raad van bestuur bovendien aansprakelijk terwijl ze feitelijk vaak slechts een beperkte inspraak hadden of van niets wisten…

  2. Duaal bestuur

    Het facultatief duaal bestuursmodel schept duidelijkheid. In deze gloednieuwe formule staan twee aparte organen in voor het bestuur van de NV: de raad van toezicht en de directieraad. Dat leidt volgens advocaat Esther Goldschmidt (ALTIUS) alvast tot een helder “onderscheid tussen de strategische functies (via de niet-uitvoerende toezichthouders of denkers) en de operationele directiefuncties (via de uitvoerende bestuurders of doeners)”. Beide collegiale organen tellen elk minstens 3 verschillende personen. Niemand mag gelijktijdig lid zijn van beide.

    De raad van toezicht is dan bevoegd voor het strategisch beleid van de NV. Hij houdt toezicht op en verleent kwijting aan de directieraad (want deze raad van toezicht benoemt de leden van de directieraad). Verder heeft dit orgaan enkel de bevoegdheden die het wetboek hem toebedeelt (bv. de samenroeping en voorbereiding van de algemene vergadering en het opstellen van bestuursverslagen).

    De directieraad is bevoegd voor alle operationele aangelegenheden en voor alle taken die niet expliciet aan de raad van toezicht zijn toebedeeld. Beide bevoegdheden mogen en kunnen elkaar niet overlappen. Dit nieuwe facultatieve duaal systeem biedt meer mogelijkheden voor extra checks & balances, aangepast aan de concrete situatie. Qua governance is dit uiteraard het ‘best in class model’. Men zou bijvoorbeeld in een familiebedrijf van de derde generatie kunnen afspreken dat elke familietak een lid afvaardigt naar de raad van toezicht en dat de directieraad enkel uit professionele externe managers bestaat.

    Dit model is alleszins zuiverder dan de formule van het wettelijke geregeld ‘directiecomité’ zoals we dat via artikel 524bis van de oude Vennootschapswet kenden. Dit zal nu enkel nog blijven voortbestaan bij de kredietinstellingen en verzekeringsondernemingen. Het directiecomité had overigens nooit veel navolging gekregen. De eigen 'interne' bevoegdheden van dat comité werden zelfs dikwijls beperkt tot het dagelijks bestuur en betroffen dus niet eens alle zaken van operationele aard.

  3. Enig bestuurder

    Er is ook nog een derde model. Voortaan kan een NV ook geleid worden door slechts één ‘enige bestuurder’. Deze hoeft zelfs geen aandeelhouder te zijn. In specifieke omstandigheden kan dit een wijze formule zijn. Denk aan een familiebedrijf dat een opvolgingsregeling van het aandeelhouderschap voorbereidt en dat de overlatende stichter nog aan het stuur wil houden. Of een satellietvennootschap die afhangt van een moederholding: daar is ‘bestuur’ toch maar een juridische formaliteit…

Dagelijks bestuur(der)

In elke van de drie bovenstaande varianten kan het bestuursorgaan bovendien bevoegdheden van dagelijks bestuur delegeren aan één of meerdere dagelijks bestuurders, die apart dan wel als een college optreden. Er is hiervoor zelfs geen statutaire machtiging meer nodig.

Aan jou de keuze!

We hebben hier te weinig plaats om alle pro’s en contra’s van de BV en de NV en van elk NV-model afzonderlijk toe te lichten. Maar hopelijk hebben we je er wel van overtuigd om je goed te informeren en zo snel mogelijk met kennis van zaken het best passend bestuursmodel te kiezen voor de continuïteit van je onderneming.