Wat de VS van Noordwest-Europa kan leren

Auteur: 
Stijn Decock

Een van de verrassingen in de huidige fase van de conjunctuur is de aanhoudende zwakke Amerikaanse arbeidsmarkt. Dat terwijl de Duitse arbeidsmarkt verrassend sterk presteert (zie ook de VKW Metena beleidsnota ‘Duitsland ankerland?’). ‘Het flexibele Amerikaanse arbeidsmodel maakt afdankingen in een recessie heel gemakkelijk maar creëert snel banen in een herstel’ luidt de theorie. Het continentaal Europese model daarentegen is te rigide waardoor een economische heropleving zich maar traag in nieuwe banen vertaalt. Waarom gaat het herstel, in het geval van Duitsland, nu zeer duidelijk tegen de theorie in?

Tussen 1995 en 2005 was dat duidelijk anders. Laten we beginnen in 1995. Het is de tijd van de ICT-boom.  Creatieve bedrijven schieten in een mum van tijd letterlijk vanuit zolderkamers richting beurs en een wereldwijd publiek. De combinatie van creativiteit, durfkapitaal, Engels als wereldtaal en topuniversiteiten spelen in de kaart van de VS. Duitsland daarentegen lijdt nog onder de kater van de hereniging.  Op enkele bedrijven na, heeft het land de wereld weinig te bieden op gebied van media of software.

In 2001 spat de ICT-zeepbel. De VS, de bakermat van de ICT-sector, kan verrassend snel herstellen van de crisis dankzij het zeer soepele rentebeleid. De vastgoedsector, zowel de bouw, verkoop en financiering van nieuwe huizen compenseren het verlies aan jobs.  Deze sectoren, samen met nieuwe retailgiganten zoals Wal Mart, maskeren het sterke jobverlies in de ICT-sector. In Duitsland, waar helemaal geen vastgoedboom is, wordt de malaise nog groter. Het Wirtschaftwunder van weleer (jaren vijftig...) zit ziek te bed.  In 2006 doorbreekt het aantal werklozen de psychologische 5 miljoen grens.

Het keerpunt ligt rond 2005. Vastgoed is niet langer het hot item van de markt maar China of de BRICs zijn het economisch gespreksonderwerp van de dag. In die landen treedt een nieuwe groep rijken aan en wordt in een duizelingwekkend tempo openbare infrastructuur gebouwd.  Duitsland, dat via de Hartz-hervormingen de arbeidsmarkt flexibeler en goedkoper heeft gemaakt, zit op de eerste rij om van de China-trend te profiteren.  Was de creatieve individuele chaos van de ICT-boom niets voor de Duitsers, het ingenieurs- en vakwerk dat ontluikende markten nodig  heeft, is daarentegen wel een kolfje naar de goed georganiseerde Duitse hand.  De hoogste kwaliteit leveren op heel technische uitdagingen zoals de bouw van energiecentrales, het precisiewerk van een geavanceerde machine vervaardigen of de productie van de meeste degelijke luxewagens… past veel beter bij de Duitse vakmanmentaliteit.

De essentie van het Wirtschaftswunder in de jaren ‘50

Een ander element dat de Duitsers de voorbije jaren heeft geholpen, is hun model van gedeelde verantwoordelijkheid.  Werkgevers, werknemers en de overheid nemen op het juiste moment hun verantwoordelijkheid.  De essentie van het Wirtschaftswunder in de jaren ‘50 was dat overheid, werkgevers en werknemers een akkoord hadden gesloten.  In dat akkoord keerden de werkgevers weinig winst uit maar herinvesteerden die. Werknemers matigden hun looneisen en de overheid voorzag in een sociaal vangnet.

De Hartz-hervormingen waren ook zo’n akkoord van gedeelde verantwoordelijkheid.  De vakbonden, zonder daarbij heel het land lam te leggen, aanvaardden een loonmatiging in de vorm van meer uren werken voor hetzelfde loon. Ook de reactie op de meest recente crisis was er een van gedeelde verantwoordelijkheid. Om de klap van de recessie op te vangen werd massaal op het systeem van Kurzarbeit overgeschakeld. Bedrijven hoefden hierdoor weinig mensen te ontslaan en moesten zich niet ontdoen van goede werknemers.  Hierdoor konden ze bij het herstel in de loop van 2009 onmiddellijk aan de vraag voldoen door tijdelijke werkloosheid af te bouwen.  Bedrijven moesten dus bij het herstel ook niet meteen nieuwe werknemers zoeken en opleiden, wat eveneens een kostenfactor is in complexe productieprocessen. Het voordeel voor de arbeiders was dat Kurzarbeit maar voor een beperkt inkomensverlies zorgde en gezinnen niet in diepe financiële problemen bracht zodat leningen verder konden terugbetaald worden. Ongeveer 1,5 miljoen werknemers genoten in 2009 van het Kurzarbeit-systeem.  

Figuur 1: Evolutie Duitse en Amerikaanse werkloosheidsgraad

werkloosheidsgraad1

 

Tijdelijke werkloosheid

Het is nog te vroeg om hier wetenschappelijke uitspraken over te doen, maar tijdelijke werkloosheid was wellicht een van de beste anti-crisismaatregelen.  Dat geld wellicht ook voor de tijdelijke maatregelen in eigen land (zie flashbericht) Het flexibele Amerikaanse systeem maakt het bedrijven gemakkelijker om mensen te ontslaan. Keerzijde hiervan is dat bedrijven verplicht zijn om bij een forse daling van de activiteits eveneens goede werknemers te ontslaan. Wanneer het herstel  zich aandient,dienen nieuwe werknemers gezocht en opgeleid te worden.  Het Amerikaanse flexibele systeem werkt goed bij eenvoudige jobprofielen of profielen die in heel veel bedrijven hetzelfde zijn (bv een jurist). Voor complexe productieprocessen zoals machinebouw is het wellicht beter dat een bedrijf de geschoolde arbeiders in tijden van forse maar tijdelijke vraaguitval op een  betaalbare manier aan zich kan binden.  Als de crisis te lang duurt kan je ze dan alsnog ontslaan (wat in Duitsland dus niet nodig bleek). Volgens de OESO werd in Duitsland door tijdelijke werkloosheid 500.000 jobs gered.

Dit is dan ook een van de gevaren van de Amerikaanse arbeidsmarkt. Er dreigt een grote tweedeling in de arbeidsmarkt. Aan de ene kant heeft de VS nog altijd topuniversiteiten, Wall Street of Silicon Valley. Hier kunnen de toptalenten en goed opgeleide mensen nog steeds terecht.  Aan de andere kant zakt het aantal jobs in de typisch lagere middenklasse door het verdwijnen van de productie industrie, de zwakte in de bouw en te weinig jobs met veel toegevoegde waarde (voor mensen met lage diploma’s) in de dienstensector.

Die tweedeling vertaalt zich meer en meer in een groeiende inkomensongelijkheid. De indicator die het inkomensverschil het best meet is de Gini-coëfficiënt. Voor de VS bedraagt die 45 (hoe hoger het cijfer, hoe ongelijker) en heeft hier mee een inkomensongelijkheid die vergelijkbaar is met derdewereldlanden zoals Ivoorkust, Oeganda of Iran. Ter vergelijking, Zweden is het land met de minste ongelijkheid en heeft een Gini-coëfficiënt van 23. Duitsland zit op 27 en België op 28.

Figuur 2: VS: groeiende ongelijkheid (gemiddeld inkomen per quintiel in USD)

ongelijkheid

 

Bron: US Census

Onderwijs

Ook cijfers over onderwijs wijzen op die groeiende kloof. Uit cijfers van PISA (een vergelijkend onderzoek in de gehele OESO naar het kennisniveau van 15-jarigen) blijkt dat het onderwijsniveau van de VS aan de lagere kant van het gemiddelde zit. Bovendien blijkt uit diepere studies van PISA dat het niveauverschil tussen de goede (vaak private) en zwakke scholen heel groot is. Die scholen trekken vooral mensen uit de arme en lage middenklasse aan. Duitsland zit qua onderwijssystemen verre van de top (Vlaanderen wel), maar heeft volgens onderwijsspecialisten wel een sterke traditie van goede technische scholen en systemen van beroepsopleiding.

De consequentie hiervan is dat in Duitsland, en bij uitbreiding gans Noord-Europa, iemand met een gemiddelde intelligentie uit de lagere middenklasse een grotere kans maken om in een goede technische school opgeleid te worden. Via een stage in een bedrijf kan hij dan een vakman of gespecialiseerde dienstverlener worden. Hierdoor nemen zijn skills en de economische toegevoegde waarde automatisch toe.  Hij zal dan ook een loon ontvangen waarmee hij zich een huis, wagen, vakantie… kan permitteren.  Iets wat door het opdrogen van het goedkoop krediet in de VS steeds moeilijker wordt voor de armere Amerikaan.

Om uit de malaise te geraken moet de VS dus productieve banen creëren voor de middenklasse.  Sectoren waar dat op grote school kan, dienen zich op korte termijn niet aan. Hierdoor lijkt een fundamenteel herstel van de Amerikaanse arbeidsmarkt niet voor de eerste jaren. Daarbij komt dat de arbeidsbevolking, in tegenstelling tot Europa, elk jaar nog groeit (à rato van 150.000 per maand).

Eigenlijk zou de VS een soort van Wirtschaftswunder nodig hebben om zich uit het moeras te trekken.  Een akkoord waarbij de 3 grote spelers in de economie, werkgevers, werknemers en overheid aan hetzelfde zeel trekken om het land uit het dal te trekken. De overheid zou vooreerst het onderwijsniveau moeten optrekken en in een betere sociaal vangnet voorzien.   Het Amerikaans bedrijfsleven zal een deel van haar winsten moeten investeren in het herstel van het Amerikaans productie-apparaat en (de kennis en het inkomen van) de werknemers.  De Amerikaanse werknemers en kiezers zullen moeten beseffen dat enkele Noord-Europese welvaartsrecepten, die op het eerste zicht hun keuzevrijheid of materieel vermogen aantasten,  op lange termijn de grote meerderheid van de Amerikanen goed zou uitkomen.