Waarom is het redden van onze planeet zo moeilijk?

Opinie van Geert Janssens

Het aantal mensen dat nog twijfelt aan de opwarming van de aarde als gevolg van menselijke activiteit, wordt met de dag kleiner. Maar zelfs met een overtuigingsgraad van honderd procent zou een gedegen klimaatbeleid uitblijven. Ons systeem van politieke besluitvorming is nog niet opgewassen tegen die uitdaging.

Om te beginnen is er het ruimtelijk aspect. De vermindering van koolstofuitstoot in Europa sinds 1990 werd vele malen gecompenseerd met een vermeerdering van uitstoot in China en andere opkomende landen. Zo ontstaat een gevangenendilemma: wie investeert en kosten maakt om de uitstoot te verminderen, riskeert de pineut te worden als anderen niets doen, waardoor uiteindelijk niemand iets doet.

Opkomende landen vinden het overigens niet fair dat zij in hun huidige economische ontwikkeling zouden worden geremd terwijl rijke landen decennialang naar believen koolstof konden uitstoten. Die redenering komt echter stilaan onder druk omdat milieu-investeringen alsmaar rendabeler worden, maar ook omdat landen als China beseffen dat ze zelf een groot slachtoffer zullen worden van de klimaatverandering.

“Er gaapt een diepe kloof tussen het antwoord dat we klaar hebben en wat noodzakelijk is om de opwarming van de aarde effectief tegen te gaan.”

Too little, too late

Toch zal het allemaal ‘too little, too late’ worden. Een aantal factoren dragen ertoe bij dat de noodzakelijke verandering maar zeer traag op gang komt. Ook onze Westerse democratische besluitvorming is niet geschikt om complexe vraagstukken, zoals milieu en klimaatopwarming, adequaat aan te pakken. Er gaapt een diepe kloof tussen het antwoord dat we klaar hebben en wat noodzakelijk is om de opwarming van de aarde effectief tegen te gaan. Enkele concrete problemen:

  1. Complexiteit: klimaatverandering verloopt over een zeer lange cyclus van elkaar zeer traag beïnvloedende factoren (zonnecyclus, straalstroom, stand aardas, baan aarde in de ecliptica,…). Extreme weerfenomenen zijn daardoor een afwijking van een traag schommelend gemiddelde. Dat maakt het voor een oppervlakkige waarnemer extra moeilijk om te beoordelen of er nu werkelijk een verschil is met vroeger.
  2. Ons menselijk brein is niet goed in het beoordelen van gemiddeldes en we onthouden vooral extremen. Daardoor ontstaan relativerende platitudes zoals ‘vroeger was het ook extreem warm of koud’… Daarnaast is ons brein geneigd om de kosten van een klimaatbeleid op korte termijn te overschatten en de baten op lange termijn te onderschatten. Wat we nu verliezen lijkt groter dan wat we later zullen winnen.
  3. Uit het voorgaande volgt overigens een tijdsprobleem: des te meer de klimaatopwarming een zaak van de toekomst lijkt, des te minder de huidige bewoners van deze planeet geneigd zijn tot actie of aanpassing van hun levensstijl. Dat gaat gepaard met een democratisch deficit: politici zijn geneigd om zich te richten naar de wil van de huidige kiezer, niet de kiezer van de toekomst want die stemt niet mee. Hoewel toekomstige generaties de gevolgen van de opwarming zullen dragen, hebben ze dus weinig of geen invloed op het actuele debat.
  4. Een laatste probleem is het zogenaamde ‘lock-in’-effect: de huidige koolstofrijke energieopwekking heeft een aantal grote voordelen ten opzichte van groene alternatieven. Infrastructuur voor opwekking, opslag en distributie bestaan reeds en de omslag naar een nieuwe technologie vergt niet alleen grote investeringen maar ook onpopulaire gedragsveranderingen bij miljoenen consumenten. Er is dus eerst een kritische massa nodig om nieuwe bewezen technologie doorgang te laten vinden. Die doorgang wordt echter bemoeilijkt door een sterke lobby tegen gedragsverandering vanwege gevestigde belangengroeperingen. Tekenend is dat er één lobbyist is per Europese ambtenaar; in de periode 2008-2017 werd door de koolstofrijke industrie in de VS 1,4 miljard dollar besteed aan imagocampagnes.

Klimaatakkoorden

Onze enige hoop is en blijft gevestigd op grote klimaatakkoorden zoals die van Kyoto en Parijs. Bij gebrek aan een scheidsrechter en/of wereldregering riskeren deze akkoorden weliswaar gebukt te gaan onder problemen van vrijbuitersgedrag. Denken we maar aan de VS die er vanonder willen muizen.

Anderzijds bewijst China dat een omslag mogelijk is. China bouwt heel veel extra koolstofcapaciteit als gevolg van bevolkingsdruk en hoge economische groei, maar staat tegelijk op technologisch vlak aan de top van de wereld wat hernieuwbare energie betreft. China zou dus wel eens een voortrekker kunnen worden op vlak van duurzame ontwikkeling.

“China zou wel eens een voortrekker kunnen worden op vlak van duurzame ontwikkeling.”

En dat is ook wat Europa moet doen. Het is nog te vroeg om de mogelijke impact van de ‘green deal’ naar waarde te schatten. Er zijn wat dat betreft nog te veel onduidelijkheden en te weinig details bekend. Of we daarmee de opwarming van de aarde gaan kunnen tegenhouden, is bovendien zeer twijfelachtig.

Daarentegen is het wel zeker dat het de enige manier is om technologische voorsprong te nemen en een nieuw groeiverhaal te schrijven dat duurzaamheid integreert in de afweging van economische kosten en baten.