Lange termijngroei eurozone onder druk

Een van de hamvragen met betrekking tot het herstel van de economie van de eurozone op langere termijn betreft de mate het toekomstig groeipotentieel al of niet wordt aangetast. Tijdens een recente workshop van het Vlaams-Europees verbindingsagentschap (Vleva) konden we vernemen hoe de Europese Commissie de situatie op dat vlak inschat.

Precaire toestand

De workshop werd ingeleid door Servaas Deroose, directeur Macroeconomy of the euro area. Nadat de heer Deroose de oorzaken van de crisis haarscherp had uiteengezet, schetste hij een beeld van de crisisaanpak. Wat opviel tijdens de presentatie is de precaire toestand van een landje als België dat klaarblijkelijk opgezadeld zit met (te) grote banken in moeilijkheden [geen probleem wanneer gezonde banken en normale cyclische neergang]. De kosten voor het redden van het financieel systeem lopen bij ons zeer hoog op. Onze kapitaalinjecties liepen op tot 5,6% van ons BBP. Nederland (7,9%) en Luxemburg (7,8%) moesten met meer geld over de brug komen maar konden zich dan weer permitteren om aanzienlijk minder overheidsgaranties op bankleningen te geven. Inzake fiscale impuls krijgen we het omgekeerde beeld. België blijft achterop met een inspanning van minder dan 1% van het BBP tegenover 1,8% voor de EU-27 en consistent met de geringere begrotingsruimte ('fiscal space') in België.

We leven boven onze stand

De vraag is echter hoe het nu verder moet? Duidelijk is dat de genomen maatregelen een bodem hebben gelegd onder de recessie. We zijn niet meer in een vrije val en tekenen van een herstel zijn duidelijk zichtbaar. Volgens Deroose is het Stabiliteits- en Groei Pact voldoende flexibel om de huidige verslechtering van de openbare financiën op te vangen. Er is geen nood aan een tweede fiscale stimulus in de EU en in de loop van 2010 moet de beleidsaandacht verschuiven van stabilisatie naar houdbaarheid van de openbare financiën. Voor sommige landen neemt de druk op de ketel zorgwekkend toe. Rekening houdend met de totale overheidsschuld, het tekort op de lopende rekening, tegenvallende belastingsinkomsten en reeds aangegane verbintenissen, leven de Belgen nu reeds boven hun stand. Op basis van deze criteria doen Frankrijk, Portugal, Italië en Griekenland het evenwel nog minder goed.

Nieuwe financiële architectuur

Op financieel vlak werkt de Europese Commissie aan een nieuwe financiële architectuur. De aanbevelingen van de werkgroep de Larosière moeten een aanzet geven tot een nieuw kader voor toezicht. Dit kader moet verder worden aangevuld met een wereldwijd controlesysteem dat oog heeft voor grensoverschrijdende operaties en risico’s.

Groei op lange termijn

Tegen die achtergrond blijven de economische vooruitzichten voor de eurozone echter zeer zwak. Dit jaar verwacht de Commissie een krimp van maar liefst 4% en voor 2010 is een nulgroei momenteel het beste waarop men mag hopen. Voor de langere termijn is de hamvraag wat de gevolgen zijn voor het groeipotentieel. De zogeheten ‘potentiële groei’ is de ideale kruissnelheid van de economie. Omdat de feitelijke groei op langere termijn tendeert naar deze kruissnelheid is potentiële groei ook een maatstaf voor de gemiddelde aanwas van onze welvaart op langere termijn. Drie scenario’s dienen zich aan (zie figuren). In het beste scenario zijn het verlies aan potentiële groei en werkelijke groei kortstondig en wordt dat verlies achteraf zelfs goedgemaakt. Een realistischer scenario is dat de verloren welvaart achteraf niet wordt ingehaald maar het potentiële groeiritme terugkeert naar haar lange termijnniveau (helling van curve blijft dezelfde). Het te vrezen scenario is er eentje waarbij ook de potentiële groei afkalft (curve wordt minder steil) en de toekomstige welvaartsverliezen verder oplopen.

Het is evident dat indien deze crisis het natuurlijk groeiritme van onze economie daadwerkelijk zou aantasten, dit de betaalbaarheid van de vergrijzinglasten niet ten goede komt. Afgaande op de gegevens in onderstaande tabel is die vrees zeker gegrond. In de periode 1996-2000 groeide de eurozone sneller dan haar potentieel. In de periode 2001-2005 bleef ze er echter 0,3 procentpunt onder en wat dat betreft is er niet meteen beterschap.

Potentiële groei in de Eurozone:

  Economische Groei
Potentiële groei
Totale Factor productiviteit
Investerings-ratio
1996-2000
2,8
2,3
1,0
20,8
2001-2005
1,5
1,8
0,6
20,9
2006-2010
0,4 1,2
0,4
21,2

 

Lager groeipad?

Meer fundamenteel is dat het potentieel groeiniveau zelf in vergelijking met de jaren negentig er meer dan een vol procentpunt is op achteruit gegaan. Met andere woorden, zelfs indien de economie zou herstellen en we op kruissnelheid komen, een groei van meer dan 1,2% zit er momenteel niet in. Volgens Deroose is het echter nog niet zeker of de economie daarmee definitief op een lager groeipad is terecht gekomen. Uit vorige recessies leren we dat in de helft van de gevallen de potentiële groei nadien hoger lag dan voor de crisis. Twee zaken determineren het finale resultaat, namelijk de evolutie van het arbeidsaanbod en vooral de productiviteit. Gaan we langer werken of slagen we erin om meer mensen te prepareren voor de arbeidsmarkt, dan stijgt ook de potentiële groei. Voor het boeken van productiviteitswinsten zijn de evolutie van de technologie en de investeringsinspanningen van belang. De groei van de zogenaamde ‘Totale Factor Productiviteit’ neemt zienderogen af en wijst op een innovatieprobleem. We zullen de komende jaren meer moeten investeren in onderzoek, ontwikkeling, opleiding, vorming,… Zo niet brokkelbrokkelt onze potentiële en dus ook feitelijke groei verder af.

Grafieken

Potentiële groei: drie mogelijke theoretische scenario’s

Scenario 1: output herstelt zich volledig

Scenario 1: output herstelt zich volledig

Scenario 2: potentiële output herstelt zich, maar met licht welvaartsverlies

Scenario 2: potentiële output herstelt zich, maar met licht welvaartsverlies

Scenario 3: potentiële output herstelt zich niet en groot welvaartsverlies

Scenario 3: potentiële output herstelt zich niet en groot welvaartsverlies