Internationaal ondernemen loont

Vlaamse ondernemingen hebben een kostenhandicap tegenover zowat alle groeilanden. De loonkosten (en in toenemende mate ook de energiekosten) maken dat we erg moeilijk internationaal competitief kunnen zijn in massaproductie. Als gevolg daarvan zetten de meeste (industriële) bedrijven in ons land duidelijk in op nicheproducten en/of –markten. In deze marktsegmenten primeren marktkennis, innovatie en goede dienstverlening vaak op prijsargumenten.

Deze focus houdt meteen ook in dat de Vlaamse of Belgische markt snel te klein wordt. De geringe omvang van onze markt wordt gezien als de voornaamste reden om ook in het buitenland actief te zijn, zij het via export, het opstarten van een buitenlandse dochter of de samenwerking met een buitenlandse partner.

Ook voor jonge en kleine ondernemingen

Ook sommige kleinere ondernemingen zetten daarom sneller de stap naar het buitenland. Terwijl buitenlandse expansie vroeger grotendeels voorbehouden was aan grote ondernemingen, blijkt dit niet langer het geval in een geglobaliseerde wereld. Ongeveer een kwart van de industriële KMO’s in de OESO-landen zijn internationaal actief. Voor België geldt een gelijkaardig cijfer. Heel wat kleinere ondernemingen halen zelfs het merendeel van hun omzet in het buitenland. Zelfs 5 tot 10 procent van de ondernemingen met minder dan 10 werknemers (zogenaamde micro-ondernemingen) ontplooien internationale activiteiten. Omgekeerd groeit de concurrentie vanuit het buitenland in lokale markten die vroeger grotendeels afgeschermd werden.

Heel wat ondernemingen bouwen eerst een stevige basis op in eigen land, om dan met kleine stapjes internationale activiteiten te ontplooien. Maar het kan ook anders. Steeds meer nieuw opgerichte ondernemingen zijn van meet af aan internationaal georiënteerd en ontplooien al snel forse activiteiten in het buitenland. Meer dan de helft van de Vlaamse bedrijven die internationaal actief zijn, zetten de stap naar het buitenland binnen de eerste twee jaar na oprichting. Deze ondernemingen hebben de gevleugelde term ‘born globals’ meegekregen.

Exporterende bedrijven en landen staan sterker 

Het typische beeld van een exporterende onderneming als een groot, gevestigd bedrijf, beantwoord dus niet (meer) aan de werkelijkheid. Relatief kleine en jonge ondernemingen kunnen even goed meespelen over de landgrenzen heen. Over het algemeen loont dit ook, zowel voor de onderneming in kwestie als voor onze economie. Niet verwonderlijk groeien exporterende bedrijven sterker dan ondernemingen die enkel in eigen land opereren, zowel gemeten naar tewerkstelling als naar toegevoegde waarde. De arbeidsproductiviteit neemt meer toe bij exportgerichte ondernemingen, terwijl de kans op faillissement significant lager ligt. Deze effecten zijn empirisch vastgesteld, zowel in een internationale context als specifiek voor de Belgische bedrijfswereld.

Niet alleen de bedrijven in kwestie, maar ook de hele economie is gebaat met een sterke, internationaal competitieve en exportgerichte bedrijfssector. Landen die systematisch meer importeren dan exporteren, bouwen schulden op in het buitenland. Deze afhankelijkheid van buitenlandse schuldeisers houdt risico’s in. De malaise in landen als Griekenland en Portugal heeft niet enkel te maken met aanhoudende overheidsdeficits, maar even goed met de zware tekorten op de handelsbalans. De alom geprezen sterkte van de Duitse economie wordt op haar beurt grotendeels toegewezen aan de sterk op export gerichte bedrijfssector, waarbij kleine en middelgrote ondernemingen een belangrijke rol spelen (de zogenaamde Mittelstand). Exportgroei heeft bovendien een sterke impact op de werkgelegenheidsgroei. Vooral de internationale aanwezigheid van relatief kleine en jonge ondernemingen is een drijvende factor voor de werkgelegenheid in Vlaanderen. Daarnaast zijn innovatie en exportgerichtheid nauw verweven. Aanwezig zijn in buitenlandse markten vereist immers flexibiliteit en creativiteit, zodat het vaak de meest innovatieve bedrijven zijn die de stap zetten naar het buitenland. Het uitbouwen van een kenniseconomie hangt dus nauw samen met de internationale gerichtheid van onze bedrijfssector.

Toch slechts minderheid van bedrijven actief in het buitenland

Zoals welbekend is de Vlaamse economie relatief open en internationaal gericht. Van oudsher richten heel wat ondernemingen zich op de buitenlandse markt. Desondanks opereert de grote meerderheid van de Vlaamse ondernemingen toch exclusief in eigen land. Slechts één procent van de Vlaamse ondernemingen is bijvoorbeeld verantwoordelijk voor de helft van de totale export. Uit een onderzoek van de Vlerick Management School en Flanders DC blijkt dat heel wat Vlaamse ondernemingen zelfs nooit overwogen hebben om te exporteren. Meer dan in andere landen twijfelen bedrijfsleiders in onze contreien te veel over de kwaliteit van de producten, de te hoge prijs of de capaciteiten van de medewerkers om internationaal mee te kunnen spelen. Dit is mogelijk een uiting van de typisch Vlaamse bescheidenheid, maar illustreert wel dat er enige marge bestaat voor verbetering.

De uitdagingen om internationaal te opereren zijn dan ook legio. Dit kan variëren van een terughoudendheid van de bedrijfsleiding voor de risico’s van een internationale strategie, onvoldoende financiële slagkracht om de exportplannen tot een goed einde te brengen, tot een gebrek aan marktkennis. In een vervolgartikel gaan we dieper in op de barrières en belemmeringen om ‘vreemd te gaan.’