Inflatie: Will the beast return?

Afgelopen week daalden de prijzen op jaarbasis gemeten ook in ons land. Voor het eerst sinds vele decennia kunnen spreken van een kleine maar geenszins alarmerende deflatie. Immers, het beleid doet er alles aan om een neerwaartse spiraal van productie en prijzen tegen te gaan. Volgens sommigen doet men dat dermate goed, dat op termijn een versnelde inflatie moet worden gevreesd. Vooral nu centrale bankiers wereldwijd de geldkranen ver hebben opengedraaid, herleeft bij heel wat beleggers en investeerders de vrees voor een inflatie in galop. Volgens Philippe Gijsels, strateeg gestructureerde producten bij BNP Paribas Fortis, is die bezorgdheid niet ongegrond maar zijn er ook andere scenario’s best denkbaar. Aanleiding voor ons gesprek was een 'inflation seminar' dat de bank vorige week vrijdag organiseerde met als titel: 'Will the inflation beast return?'.

Kwantiteitstheorie

Philippe Gijsels verwijst daartoe naar de kwantiteitsformule van Irving Fisher (zie onder) die mits een aantal veronderstellingen aangeeft dat er identiteit is tussen het nationaal product in lopende prijzen  (P maal Y) enerzijds en de totale geldhoeveelheid in omloop anderzijds. Die laatste is het product van de basisgeldhoeveelheid ‘M’ en de omloopsnelheid ‘V’ van dat geld in de economie. Een herschikking van die formule leert dat het prijsniveau ‘P’ gelijk moet zijn aan de totale geldhoeveelheid in omloop (M maal V) gedeeld door het nationaal product in reële termen (Y). De optie van centrale banken vandaag om massaal geld te creëren, zou aldus inflatie kunnen ontlokken. Het punt is evenwel dat er rond elk van de grootheden in de formule grote onzekerheden rijzen zodoende het prijsverloop alle kanten uitkan.

Fisher’s kwantiteitsformule:

P Y = M V         

Dit betekent dat

        M V
P= ------------
         Y

P = prijsniveau
Y = nationaal product
M = geldhoeveelheid
V = omloopsnelheid geld

Stijgt de geldhoeveelheid?

Neem bijvoorbeeld de geldmassa ‘M’. Omdat banken zich gedwongen weten om hun schuldratio’s af te bouwen en een grotere dekking met eigen vermogen aan te houden, dreigt een massale geldvernietiging plaats te grijpen. Gijsels verwijst naar de omvang van de balanstotalen van de banken wereldwijd. Tot aan het uitbreken van de crisis ging het om een totaal bedrag van 50.000 à 60.000 miljard dollar. Dat is een veelvoud van de omvang aan het begin van de jaren 1980. Men hoeft niet noodzakelijk terug  te keren tot dat niveau maar het is duidelijk dat de balanstotalen van de banken de afgelopen jaren niet meer in verhouding stonden tot de reële waarde van de economie. Het huidig proces van ‘deleveraging’ waarbij de schuld op de balansen wordt afgebouwd, werkt deflatoir en wordt precies daarom door de centrale bankiers gecounterd met een forse toename van het basisgeld. In de VS en het VK is men zelfs overgegaan tot een brede monetaire versoepeling waarbij centrale banken rechtstreeks geld injecteren in obligatiemarkten door schuldtitels op te kopen met vers gedrukt geld. Het succes van dergelijke operaties is evenwel niet verzekerd. Ook weet niemand precies hoe groot de ‘deleveraging’ bij de private banken zal zijn. Zullen centrale bankiers voldoende geld injecteren of juist veel te veel? Een bijkomend probleem is dat centrale bankiers heel veel geld kunnen drukken maar niet zeker zijn of het terecht komt op de plaatsen waar dit het meest nodig is.

En de omloopsnelheid?

Ook de evolutie van de omloopsnelheid ‘V’ is omringd met veel onzekerheid. Nu consumenten fors op de rem zijn gaan staan, rolt het geld veel minder gemakkelijk zodoende de omloopsnelheid is gedaald. Ook dit zet een fors neerwaartse druk op de prijzen en werkt net zoals een daling van de geldhoeveelheid deflatoir. Er ontstaat een sterke neerwaartse druk op de prijzen. Niemand weet hoe snel V zal stijgen wanneer consumentenaankopen weer beginnen aan te trekken. Een forse stijging van V werkt op zijn beurt inflatoir.

En de productie?

Tot slot is er nog Y, het nationaal product in reëel termen. Hier speelt vooral de ‘output gap’ ofwel het verschil tussen de reële productie en het potentieel niveau. Wereldwijd blijven we vandaag ver onder onze capaciteitsbenuttinggraad. De zwakke productie met massale werkloosheid in haar kielzog zet eveneens een grote neerwaartse druk op de prijzen. Hier probeert het beleid het tij te keren met een door overheidstekorten gefinancierde vraag in de plaats te stellen.

Blijven vechten

Philippe Gijsels besluit bijgevolg dat het nog alle kanten uitkan maar dat deflatie op dit moment het grootste gevaar is en blijft. Het gevecht tussen deflatie en inflatie duurt voort. Aangezien de drie cruciale variabelen (M, V en Y) met te veel onzekerheid zijn omringd, is het vandaag onmogelijk om te voorspellen wie het pleit zal winnen. Philippe Gijsels stelt vast dat het beleid constant fouten maakt en plannen moet bijstellen. Maar laat dit nu precies een positief gegeven zijn. Wie over een bochtig parcours rijdt, moet constant bijsturen om het midden van de weg te houden. In een inflatieretoriek zou dit neerkomen op een toename van de prijzen met 0 à 5%. Gijsels sluit echter een terugkeer naar hogere inflatieniveaus niet uit. Beleidsmakers willen geen risico nemen en vooral een onderschatting van het deflatiegevaar vermijden. We moeten ons er ook van bewust zijn dat inflatieniveaus van 0 tot 5 procent, zoals we de afgelopen twintig jaar hebben gekend, historisch gezien eerder de uitzondering dan de regel zijn geweest. We kunnen er maar beter op voorbereid zijn.