IMF, van kwelduivel tot reddende engel

Auteur: 
Stijn Decock

Als er één internationale instantie beter uit deze crisis komt, dan is het wellicht het IMF. In de jaren ’90 nog verguisd en de laatste jaren nauwelijks nog relevant bevonden, is het internationale fonds nu helemaal terug van weggeweest. Dat heeft het deels te danken aan haar charismatische leider Dominique Strauss-Kahn, de voormalige Franse socialistische vice-premier. Meer nog, de nieuwe aanpak opent perspectieven om de wereldeconomie in de toekomst stabieler te maken.

Het Internationaal Munt Fonds werd opgericht in de schoot van de Verenigde Naties na afloop van WOII en was de belangrijkste pijler in het economische luik van de organisatie die de wereld samenhangender moest maken. Het IMF moest vooral landen met betalingsproblemen te hulp schieten. In de praktijk waren dat de derdewereldlanden. De financiers waren hoofdzakelijk Westerse landen. Het IMF werd vooral onpopulair door de strenge voorwaarden waaraan het de leningen verstrekte. Landen die bij het IMF moesten aankloppen, kregen een streng macro-economisch dieet voorgeschreven dat voorzag in zware besparingen, liberaliseringen en vaak hogere belastingen. Landen werden soms verplicht om in de gezondheidszorg, infrastructuur of onderwijs te snoeien. Ingrepen die vooral in democratische landen moeilijk lagen omdat een IMF-programma niet bepaald bevorderlijk was voor de herverkiezing van een regering. Een andere kritiek uit vooral de mensenrechtenhoek was dat het IMF niet echt onderscheid maakte tussen democratische of dictatoriale regimes. Links bekritiseerde het fonds vooral omdat het armste deel van de bevolking het grootste slachtoffer werd van de IMF-maatregelen. En in de ogen van de liberalen intervenieerde het IMF teveel en deed het de markt te weinig werken. Vooral in de jaren ’80 en ’90 werd het IMF gezien als het verlengstuk van de Washington Consensus, het IMF als instrument van de VS om de derdewereldlanden onder controle te houden. Dat de Westerse landen die de plak zwaaiden zelf vaak helemaal niet voldeden aan wat het IMF arme landen voorschreef, vormde nog meer een doorn in het oog van de vele critici.

Aziatische crisis

De laatste keer dat het IMF massaal hulp verleende was in de Aziatische crisis toen Aziatische en Zuid-Amerikaanse landen de tekorten op de betalingsbalans met IMF-gelden moesten aanvullen. De Aziatische landen vonden de IMF-voorwaarden zo vernederend dat ze besloten zelf een fonds aan te leggen waarbij ze aan elkaar geld gingen verstrekken in noodgevallen. De laatste grote klant van het IMF was Turkije. Voor Turkije was de IMF-passage na de crisis van 2001 een al bij al positieve ervaring omdat de doelstellingen van het IMF in grote lijnen parallel liepen met het op het Westen gerichte economische beleid van de gematigde Islamitische regering Erdogan.

Kredietcrisis zet aan tot internationaal overleg

En dan kwam de grote recessie van 2008. Hoewel de huizencrisis al in 2007 woedde, ontaarde dit probleem slechts vanaf september 2008, met het faillissement van Lehman Brothers, in de grootste economische crisis sinds WOII. Tot in de zomer van 2008 werd nog aangenomen dat de huizencrisis vooral een lokaal probleem was voor de VS en de rest van de wereld slechts in beperkte mate zou aantasten. Niet dus. De onderlinge verbondenheid van de financiële systemen en economieën bleek veel groter dan gedacht. Het IMF was trouwens één van de weinige instellingen die in het Stability Report van 2007 de ernst van de situatie aangaf.

In een eerste fase werden de banken van de Westerse landen getroffen, met snel erna een tweede fase waarin de groeilanden dreigden over kop te gaan. Vooral in het grondstofarme Oost-Europa kwamen landen met grote tekorten op de handelsbalans en overmatig kredietgebruik in de problemen. Landen zoals Letland, IJsland, Hongarije en Oekraïne dreigden in de kortste keren failliet te gaan en in hun zog de betere Oost-Europese landen (bv Polen, Tsjechië) en een hoop Westerse kleine landen met banken in die regio (bv Oostenrijk, Zweden) mee te sleuren.  Aangezien vooral Europa zeer verdeeld reageerde, was er nood aan een internationale organisatie om als lender of last resort te dienen en het internationale (banken)overleg te organiseren. Het IMF, dat toen over USD 250 miljard beschikte, reageerde snel en gaf de meest risicovolle landen zoals IJsland, Letland of Hongarije kredieten. Hiermee kon ze een herhaling van de Aziatische crisis in Oost-Europa vermijden. De voorwaarden waaraan het IMF die leningen toekent blijven streng en noodzakelijk, maar zijn toch minder dirigistisch dan in de jaren ’80 of ’90. Nu zijn ze eerder te vergelijken met de voorwaarden van het Stabiliteitspact van de Eurozone. Zo moet Roemenië besparen in het ambtenarenapparaat maar niet in de uitkeringen of de gezondheidszorg.

Flexible Credit Line

Een ander groot verschilpunt is dat het IMF onderscheid maakt tussen landen die een echt fout macro-economisch beleid hebben gevoerd en zij die ongewild het slachtoffer worden van het opdrogen van de internationale financiële markten. Zeker in Centraal-Europa zijn landen als Polen, Tsjechië of Slowakije veel betere leerlingen in de klas dan Hongarije of de Baltische Staten. Dit deed het IMF enerzijds door snel te interveniëren in de echte probleemlanden en hiermee een dijkbreuk te vermijden en ten tweede door een nieuw instrument, de Flexible Credit Line (FCL) te lanceren. Dat is een kredietlijn aan landen die een relatief goed macro-economisch beleid voeren maar liquiditeitsproblemen zouden kunnen krijgen. Het IMF vraagt alleen een vergoeding maar geen beleidsverandering. De landen zijn niet verplicht om die lijn op te nemen. Mexico en Polen zijn de eerste landen die op zo’n lijn hebben ingetekend. Eigenlijk is dit meer een verzekering die langetermijninvesteerders de zekerheid heeft dat het land niet ongewild in betalingsproblemen geraakt.

Meer gewicht voor groeilanden

Tot slot groeide wereldwijd het besef dat door de enorme verwevenheid van het financieel en economisch systeem, een (minimale) internationale coördinatie nodig is. Op de G20 top begin april in Londen mocht Strauss-Kahn zich tot één van de winnaars uitroepen. Hij ging met de pet rond en kon voor het IMF USD 500 miljard verzamelen waardoor het budget nu op USD 750 miljard ligt, een bedrag dat moet volstaan om in deze crisis noodlijdende landen te helpen. Nieuw daarbij was ook dat landen die vroeger bij het IMF moesten aankloppen, het fonds geld toestopten. Om de nieuwe sfeer binnen het IMF te illustreren citeren we de Braziliaanse president Lula Da Silva, nadat hij het fonds USD 4,5 miljard had toegestopt: ‘Vindt u het eigenlijk niet erg chic dat we geld zullen overmaken, tenslotte heb ik zeker twintig jaar van mijn leven in de binnenstad van Sao Paulo rondgelopen met posters waarop stond: Weg met het IMF’.  Op die top werden dus de eerste stappen gezet om de groeilanden meer gewicht en zeggenschap in het fonds te geven, iets wat noodzakelijk is om het IMF minder het aanzien van een clubje rijke Westerse landen te geven. In het verleden hing het stemmengewicht in het IMF volledig af van de inbreng en werd geen rekening gehouden met het inwonersaantal of de te verwachten belangrijkheid. Omdat nu een aantal groeilanden ook geld investeren in het fonds, krijgen ze ook meer zeggenschap, wat het imago van het IMF in de groeilanden verbetert.

Als het IMF op dit elan kan doorgaan, kan het echt het economische referentie-instituut worden. Een verzekeraar met voldoende middelen die noodlijdende landen kan helpen zonder dat het begeleidend hervormingsprogramma extreem onpopulair dient te zijn. Vooral voor groeilanden die een goed beleid voeren kan dit helpen, omdat internationale investeerders weten dat er bij marktturbulenties een ‘lender of last resort’ is voor landen in moeilijkheden. Een goedwerkend IMF moet ook de landen die een beleid voeren om enorme muntreserves te verwerven, zoals de Oostaziatische landen, ertoe aanzetten een beleid te voeren dat minder eenzijdig op export gericht is, wat finaal even ontwrichtend is voor de wereldeconomie als een land dat de tekorten opstapelt. Tot slot moet het IMF met zijn voorspellingen en studies genoeg moreel gezag afdwingen om onevenwichten in  of tussen landen aan te pakken. Die problemen moeten dan aangekaart worden op internationale tops waarbij de regeringen ook actie ondernemen om de onevenwichten te bestrijden.

Tabel 1: Overzicht belangrijkste IMF-interventies sinds november 2008

Land

Bedrag (in miljarden dollars)

Roemenië

26,9

Oekraïne

16,5

Hongarije

15,7

Pakistan

7,4

Letland

2.4

IJsland

2,3

Servië

4,1

Tabel 2: Verdeling en voorgesteld stemmengewicht

 

Huidige

Vooropgesteld

Verenigde Staten

16,77

16,73

Japan

6,02

6,23

VK

4,86

4,29

Frankrijk

4,86

4,29

China

3,66

3,81

Rusland

2,69

2,39

België

2,09

1,86

Indië

1,89

2,34

Zuid-Korea

1,38

1,36

Brazilië

1,38

1,72