Het verschil tussen autoconstructeurs en banken

illustratieFinanciële instellingen buiten beschouwing latend, lijkt de auto-industrie het hardst getroffen door de verslechterende economische toestand. Dit komt door de algemene kredietverstrakking, maar bovenal door tegenvallende verkoopscijfers. Veel gezinnen stellen de aankoop van een wagen uit in de hoop op betere economische vooruitzichten. De wereldwijde verkoop staat daardoor op het laagste peil sinds de Tweede Wereldoorlog. Europese en Amerikaanse beleidsmakers werken aan maatregelen om de industrie te ondersteunen. Zo is er sprake van dat de Europese Investeringsbank de komende twee jaar 10 à 15 miljard euro zal uittrekken voor de sector. In de VS wordt bepleit om 25 miljard van het Paulson plan beschikbaar te stellen voor de drie noodlijdende giganten (General Motors, Ford en Chrysler). Het congres heeft dit voorstel vooralsnog afgeschoten. Ook in Europa weerklinken kritische stemmen. Waarom twijfelen beleidsvoerders om hier in te grijpen na alle tussenkomsten in het bankwezen?

Noodzaak tot overheidsingrijpen

De bepleiters van overheidshulp wijzen op het belang van de industrie. Indien een gigant als General Motors failliet zou gaan, zou dat schokgolven verzenden doorheen de al sterk verzwakte economie. Miljoenen banen staan op het spel. Beurskoersen hebben al klappen gekregen door de aanhoudende onzekerheid rond de auto-industrie. Voor België, met vestigingen van Ford, Opel en Volvo, is het belang ook groot. Volgens Febiac stelt de automobielsector ruim 50.000 mensen tewerk in ons land en assemblagebedrijven bijna 25.000. Grootschalige afvloeiingen zouden het consumentenvertrouwen nog verder de dieperik in helpen.

Prangende vragen

Opvallend is dat alle autoconstructeurs uiteraard wel te lijden hebben onder de crisis, maar zeker niet allemaal aan de rand van de afgrond staan. Toyota, het grote voorbeeld binnen de industrie, staat bijvoorbeeld helemaal niet op het punt om failliet te gaan. Bij andere autoconstructeurs, met General Motors op kop, staat het water al langer dan vandaag aan de lippen. De problemen binnen de auto-industrie zijn chronisch. Al jaren lang is er bijvoorbeeld sprake van een forse overproductie, zelfs tot 40%. Moeten overheden ondernemingen ten hulp schieten die men met wat kwade wil kan omschrijven als fundamenteel ziek? En gaan ondernemingen, klein én groot, nu eenmaal niet failliet in een vrijemarkteconomie, hoe pijnlijk dit ook is voor alle betrokkenen? Een erg amusant opiniestuk uit de Wall Street Journal hierover willen we u alvast niet onthouden.

Van de bancaire sector stelt men vast dat het effecten van een potentieel faillissement van een grote speler een te groot effect heeft op de rest van de economie om toe te laten. De kredietverlening, en daardoor de werking van het hele economische stelsel, zou dan immers in het gedrang komen. Van een gelijkaardig argument is er niet echt sprake in het geval van de auto-industrie. Indien Opel overheidssteun verdient, waarom pakweg Agfa Gevaert dan niet? Is het bovendien niet onfair dat kleinere, onbekendere ondernemingen die even zwaar getroffen zijn door de economische malaise allicht op geen hulp van de overheid mogen rekenen? Het gecumuleerde effect van faillissementen van talrijke KMO’s is ook niet te onderschatten. Om concurrentievervalsing te voorkomen, zijn algemene ondernemingsvriendelijke maatregelen sterk te prefereren boven sectorspecifieke of bedrijfsspecifieke ondersteuning.

Realistisch reddingsplan

In het geval van grote financiële instellingen hebben overheden overal ter wereld hun reserves tot ingrijpen opzij gezet. Dat was noodzakelijk. In het geval van de grote autoconstructeurs is dit minder evident. Aan de ene kant zou een faillissement ronduit dramatisch zijn. Aan de andere kant moeten overheden principieel terughoudend zijn om belastingsgeld te pompen in bedrijven in nood. Op zijn minst zouden regeringen moeten eisen dat er een realistisch herstructureringsplan tegenover staat, om te garanderen dat de onderneming in kwestie levensvatbaar is en blijft. De ervaring van het ter ziele gegane Sabena indachtig, bestaat het risico dat men anders op regelmatige basis moet bijspringen in dezelfde bedrijven. Onze overheid, en andere overheden met haar, kunnen een extra permanente uitgavenpost missen als kiespijn.