Het ontbrekende puzzelstukje in ons welvaartsbeleid

Auteur: 
De Standaard

Opiniebijdrage van Caroline Ven (De Standaard, 10 september 2014)
 
Dat we onszelf mogen kronen tot de herverdelingskampioen van Europa hebben we vooral te danken aan onze progressieve belastingen, onze uitgebreide sociale zekerheid en de daaruit voortvloeiende hoge sociale uitgaven. De 30 procent rijkste inkomens dragen 70 procent van de inkomsten in de personenbelasting. Dankzij talrijke sociale correcties beschikken zwakkeren in onze samenleving vandaag zelfs over meer euro's koopkracht dan voor de crisis. Samen met Duitsland, Frankrijk en Ierland staan we aan de top voor wat de omvang van de herverdeling betreft. Maar precies daar schuilt ook een zwak punt.

Scandinavië

Want zonder sociale uitkeringen zou het armoederisico 42 procent bedragen. Denk de sociale transfers even weg en we zijn één van de meest ongelijke landen van Europa. Dat is niet de maatschappij waarin we willen leven. De Scandinavische landen bewijzen dat het anders kan. Met veel minder sociale inkomenscorrecties is de ongelijkheid er even beperkt als bij ons.

Een belangrijke verklaring schuilt in de verschillen inzake tewerkstellingsgraad. In Scandinavische landen zijn 20- tot 65-jarigen beduidend meer aan het werk. In ons land zijn amper 62 procent van de mensen in die leeftijdscategorie effectief aan het werk, in Scandinavië is dat 70 à 80 procent. Als we de studenten buiten beschouwing laten, zijn 1 miljoen mensen zelfs niet meer beschikbaar voor de arbeidsmarkt. Ze werken niet en zoeken er geen. En dat terwijl armoedeonderzoek aantoont dat het risico op armoede veel groter is voor wie geen werk heeft. Voor werkenden bedraagt het armoederisico 4,2 procent, voor inactieven 24,3 procent. Dat bijna nergens zo weinig mensen aan het werk zijn als bij ons weegt dus op de efficiëntie van hoe we armoede bestrijden. Mensen die werken tegen behoorlijke minimumlonen geraken op de sociale ladder immers een heel stuk verder vooruit dan mensen die aan de kant staan, zelfs zonder sociale correcties. Meer nog, de sociale correcties kunnen in dat geval veel doeltreffender worden aangewend.

Scholingsgraad

Meer zwaktes komen aan het licht als we de situatie van werkzoekenden bekijken. Het aantal mensen dat door de RVA moet worden ondersteund met een uitkering bedraagt 650.000. Onder hen 300.000 werklozen die al meer dan vijf jaar zoeken naar werk en 100.000 die al meer dan tien jaar in die situatie zitten. Ook een opdeling van de werkloosheid naar nationaliteit is leerrijk. De tewerkstellingsgraad bij allochtonen bedraagt nauwelijks meer dan 50 procent. Eenzelfde fenomeen stellen we vast bij een opdeling naar scholingsgraad, waar laaggeschoolden beduidend minder kansen hebben. Het risico op die kwetsbaarheid op de arbeidsmarkt ontstaat al op jonge leeftijd.

Hoewel Vlaanderen in internationaal vergelijkend onderzoek nog steeds prat kan gaan op relatief goede scores van onze leerlingen qua kennis van taal en wiskunde, moeten we spijtig genoeg vaststellen dat achter die goede gemiddelden grote verschillen schuilgaan. Kinderen uit een zwakkere sociaal-economische achtergrond scoren zelfs eerder zwak. Niet verwonderlijk dat zij dit later ook als een handicap meedragen in hun kansen op werk of op een goed inkomen.

Sociale correcties

Onze hoge inkomensgelijkheid is met andere woorden niet in de eerste plaats te danken aan een opwaartse sociale mobiliteit. Het gevolg is dat financiële herverdeling en andere sociale correcties wel erg veel moeten opvangen om dit goed te maken. En dat weegt dan weer zwaar door op de inkomens van diegenen die wel aan de slag zijn. Het maakt hun arbeid duur voor werkgevers en netto houden zij er niet zo veel van over. Ook daar een rem op de sociale mobiliteit, want hoge loonkosten remmen op termijn jobcreatie.

Meer kansen op sociale mobiliteit creëren is dan ook een ontbrekend puzzelstukje in ons welvaartsbeleid. Dat begint al bij een meer inclusief onderwijs en moet voortgezet worden in een nog meer activerend arbeidsmarktbeleid.

© Corelio