Het ene deficit is het andere niet

Als zelfs een orthodoxe centrale bankier oproept tot grotere overheidstekorten, mag de goegemeente concluderen dat er echt wel etwas los is in het financieel-economische bestel. Ewald Nowotny, gouverneur van de Oostenrijkse centrale bank en lid van de raad van bestuur van de Europese Centrale Bank (ECB), spoorde vorige week in een interview met de Financial Times Duitsland aan om tot een krachtiger budgettaire respons op de recessie te komen. (27/11/2008)
Als zelfs een orthodoxe centrale bankier oproept tot grotere overheidstekorten, mag de goegemeente concluderen dat er echt wel etwas los is in het financieel-economische bestel. Ewald Nowotny, gouverneur van de Oostenrijkse centrale bank en lid van de raad van bestuur van de Europese Centrale Bank (ECB), spoorde vorige week in een interview met de Financial Times Duitsland aan om tot een krachtiger budgettaire respons op de recessie te komen. Daarmee sloot hij zich aan bij het almaar luider klinkende koor van instellingen, economen en analisten die menen dat het zonder een budgettaire buffelstoot met deze recessie snel van kwaad naar erger zal gaan.

In de lijn van dat discours verkondigde Fons Verplaetse, eregouverneur van de Nationale Bank, in De Standaard dat "wie nu ijvert voor een budgettair evenwicht, pleit voor sociaaleconomische zelfmoord". Verplaetse suggereert dat we niet enkel de zogenaamde automatische stabilisatoren (minder belastingontvangsten, meer uitgaven als gevolg van onder meer hogere werkloosheid) vrijuit moeten laten werken, maar bovendien ook stevig moeten investeren in infrastructuur en onderzoek & ontwikkeling.

Toch past het om een aantal kanttekeningen te formuleren bij al die budgettaire Sturm und Drang, zeker in België. Een eerste bemerking is dat nu meer dan ooit het krakkemikkige begrotingsbeleid van de regeringen-Verhofstadt ons parten speelt. Ondanks de over het algemeen gunstige economische omstandigheden realiseerden die enkel iets wat van héél ver op een begrotingsevenwicht lijkt. Verpatsen van het nationale patrimonium, eenmalige ingrepen en geschuifel met inkomsten en uitgaven waren aan de orde van de dag. Het feit dat onder de regeringen-Verhofstadt de lopende uitgaven (totale uitgaven min investeringsuitgaven en rentelasten) veel meer stegen dan het bbp, vormt een duidelijk bewijs van het gebrek aan begrotingsdiscipline. Een beetje ernst de voorgaande jaren zou de overheidsschuld tot pakweg 75 procent van het bbp hebben kunnen terugdringen. Nu is dat nog altijd 86 procent.

Een tweede fundamentele bemerking is dat we toch heel goed moeten opletten met oplopende begrotingstekorten. De voornaamste reden is het simpele feit dat onze politici, zo leert onze geschiedenis, er maar zeer moeilijk in slagen om weer budgettaire orde op zaken te stellen zodra het economische tij keert. Om het heel concreet te stellen: wie vandaag pleit voor grotere begrotingstekorten voor een periode van zelfs maar één of twee jaar, neemt het reële risico dat onze overheidsschuld binnen enkele jaren opnieuw in de richting van de 100 procent van het bbp fietst. En dat zou écht rampzalig zijn.

Het neemt niet weg dat de pleidooien om een groter deficit toe te staan, wel degelijk sociaaleconomisch onderbouwd zijn. Onze derde bemerking is dan ook dat we erg voorzichtig moeten omgaan met te bepalen hoe en waar dat extra deficit, bovenop het tekort dat ontstaat door de automatische stabilisatoren, concreet tot stand gaat komen. Verplaetse heeft gelijk als hij pleit voor meer infrastructuurinvesteringen. Zoals in de septembernota van de denktank VKW Metena duidelijk werd aangetoond, kalft de kwaliteit van onze infrastructuur al twintig jaar af. Minder vanzelfsprekend is de suggestie van de eregouverneur van de NBB om de overheidsinvesteringen in onderzoek & ontwikkeling op te voeren. Het overheidsapparaat vormt een erg inefficiënt medium om te bepalen waar en hoe er best in O&O geïnvesteerd kan worden.

Er valt zeker een lans te breken voor maatregelen die een onmiddellijke koopkrachtinjectie koppelen aan een structurele bijsturing van de scheefgroei op onze arbeidsmarkt. Ondanks alle financiële heisa van de voorbije maanden blijft de slechte werking van onze arbeidsmarkt op termijn de grootste bedreiging voor onze welvaart en ons welzijn. België haalt vandaag een tewerkstellingsgraad van 62 procent, nog altijd flink beneden het EU15-gemiddelde van 66 procent, om van landen als Nederland (76 %) en Duitsland (69 %) maar te zwijgen.

Aan de basis van dat feit liggen diverse factoren. Een erg belangrijke en zeker in vakbondskringen al te simpel weggehoonde factor is de werkbereidheid. Die kunnen we krachtig aanzwengelen door het verschil tussen de laagste nettolonen en de vervangingsinkomens te verhogen. Niet door uitkeringstrekkers ook maar één cent af te pakken, maar wel door de laagste nettolonen te verhogen. Zo vang je twee vliegen in één klap: een koopkrachtverhoging voor de laagste inkomens en een verhoogde prikkel tot werken. Begrotingstekorten die uit dergelijke maatregelen voortvloeien, zijn méér dan gerechtvaardigd.