Het dilemma van het vaccinnationalisme

Auteur: 
Hans Diels

Opinie van Hans Diels (De Standaard, 26 januari 2021)

Marc-Alain Widdowson van het Instituut voor Tropische Geneeskunde veroordeelde gisteren de extreme ongelijkheid waarmee de coronavaccins over de wereld verdeeld worden (DS 25 januari). Tegen eind 2021 zouden er voldoende vaccins zijn voor een derde van de wereldbevolking. De 27 EU-lidstaten en vijf andere rijke landen hebben ongeveer de helft daarvan opgekocht. Voor elke Canadees zijn er, als ze allemaal goedgekeurd worden, zes vaccins, voor elke Amerikaan vijf en voor elke Europeaan meer dan vier. Voor de rest van de wereldbevolking blijven er amper over. Tegelijk komt het internationale vaccinverbond Covax maar traag op gang.

Dat landen verschillende vaccins vooraf bestellen, is begrijpelijk, aangezien het niet duidelijk is welke goedgekeurd zullen worden, wanneer ze beschikbaar worden en in welke hoeveelheden. De rijke landen wilden op zeker spelen. Politiek gezien konden ze niet anders. Toen bleek dat de Europese Commissie de kans liet schieten om meer Pfizer-BioNTech-vaccins aan te kopen, klonken de veroordelingen al scherp. Nochtans zouden we één les geleerd moeten hebben uit de coronacrisis: een probleem kan nog zo ver van ons bed opduiken (of heropduiken), in een geglobaliseerde wereld is het snel bij ons.

“Een probleem kan nog zo ver van ons bed opduiken, in een geglobaliseerde wereld is het snel bij ons.”

Grenzen jarenlang sluiten?

Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie zou 70 procent van de bevolking immuun moeten zijn om het coronavirus effectief te stoppen. Dat bereik je niet in een artificieel afgesloten stukje territorium. We zagen al dat virussen zich nogal weinig aantrekken van landsgrenzen.

Voor een land als België betekent een immuniteit van 70 procent niets als het virus nog welig tiert in onze buurlanden. En voor een continent als Europa zal het weinig betekenen als de landen aan de grenzen nog steeds getroffen worden. We zien nu al hoe moeilijk het is om de grenzen te sluiten voor een korte periode. Als we als land of regio op ons eentje groepsimmuniteit bereiken, zal dat weinig uithalen als we onze grenzen niet jarenlang hermetisch kunnen sluiten. Dat zou dan weer een ramp zijn voor de open economie.

Zo komen we bij het prisoner’s dilemma van het vaccinnationalisme. Het is rationeel om zo veel mogelijk vaccins te willen bemachtigen. Als een land dat niet doet, zal een ander (rijk) land de vaccins opkopen. Dus elk land kan op zich niets anders doen dan proberen zo veel mogelijk vaccins te kopen. Maar collectief kunnen we pas gered worden als iedereen een redelijke toegang tot het vaccin heeft, zodat we zo snel mogelijk een globale groepsimmuniteit bereiken.

Verdeel de overschotten

Los van de morele vraag of het juist is dat een gezonde Belg eerder zijn vaccin krijgt dan een kwetsbare Afrikaan, is de strijd tegen het virus niet geholpen met nationalisme. Zolang het virus rondgaat bij ons of in andere landen, kan het muteren en kan het nieuwe varianten ontwikkelen waar we mogelijk geen vaccin tegen hebben. Dat is de tragedie van het vaccinnationalisme. In onze strijd tegen het virus zijn de individuele drijfveren te sterk om een globaal antwoord te bieden.

Echt ontsnappen aan dat dilemma kunnen we niet. Daarvoor is de politieke druk om de eigen bevolking het eerst te vaccineren te groot in de westerse landen. Maar zodra het duidelijk is dat we vaccinoverschotten zullen hebben, moeten we die bestellingen vrijgeven, zodat andere landen erover kunnen beschikken. Als we dat op een gecoördineerde manier doen met andere landen, en als we de vaccins toewijzen aan die landen die het meest kwetsbaar zijn, kunnen we het vaccindilemma misschien nog wat verzachten.