Hardleerse bankiers

Het wereldkruim der bankiers zakte het voorbije weekend af naar Basel. Ze waren er door de Bank voor Internationale Betalingen (BIB) uitgenodigd om te komen reflecteren over de risico’s waaraan de financiële sector zich blijkbaar steeds maar weer blijft blootstellen. Eén ding is zeker. Het adagium ‘leren uit vroegere fouten’ lijkt niet besteed aan de bollebozen van een sector die nog maar pas met de schrik is vrijgekomen. Minder duidelijk is hoe de sector adequaat moet worden hervormd.

Het afgelopen jaar herstelde de financiële sector zich opvallend vlot van de penibele situatie waarin hij eind 2008 was terecht gekomen. Dat is ook de Bank voor Internationale Betalingen (BIB) niet ontgaan. Maar als bewaker van de financiële stabiliteit kan de centrale bank der centrale banken niet voorbij aan de stabiliteit van de instabiliteit want het systeem blijft zeer fragiel. De in Basel gehuisveste instantie die onder meer het secretariaat van het Baselcomité voor bankentoezicht onder haar hoede heeft, vond het daarom geraadzaam om afgelopen weekend hierover een informeel overleg te organiseren. Naast centrale bankiers en toezichthouders waren ook heel wat toplui van private banken uitgenodigd. Die zouden volgens de BIB al te gemakkelijk verglijden in hun oude gewoontes en zich al te rigoureus blootstellen aan nieuwe risico’s.


‘Het werk van God’


De vrees van de BIB is niet onterecht. Mastodonten zoals Goldman Sachs, JP Morgan, Deutsche Bank en Barclays Capital hebben alles bij mekaar weinig te lijden gehad onder de financiële crisis en hun winsten en bonussenbeleid geeft de indruk dat het weer gewoon ‘business as usual’ is geworden. De opvallendste exponent van dit hernieuwde vertrouwen is Goldman Sachs wiens topman Lloyd Blankfein ook was uitgenodigd op het overleg. De gewiekste voorzitter en topman van Goldman Sachs stuurde echter zijn kat en deed daarmee zijn reputatie van baarlijke duivel nog eens alle eer aan. De afgelopen weken was er in de VS nogal wat commotie ontstaan naar aanleiding van een uitspraak van Blankfein die zich had laten ontvallen dat hij en de bank gewoon ‘Gods werk deden’. Blankfein gaf daarmee aan dat niemand zich heeft te bemoeien met het doen en laten van zijn Goldman Sachs en die mening bleef hem dagenlang achtervolgen.


Uiteraard heeft de topbankier overschot van gelijk want Goldman Sachs ontving geen cent overheidssteun maar wat meer empathie zou wel gepast zijn geweest. Een haastig excuus en een weldoenercheque van 500 miljoen euro voor kleine bedrijven konden zijn verbeurd verklaard imago niet meteen oppoetsen. Dit soort uitspraken en incidenten geeft de indruk dat de sector weinig lering heeft getrokken. Gevreesd wordt dat men gewoon zal doorgaan met het creëren van nieuwe bubbels. Waar die zich precies situeren weten we nog niet maar zeker is dat de banken niet van plan zijn om het winstbejag en de hebzucht zelf aan banden te leggen.


Small is beautiful?


Nieuwe mogelijke excessen zijn helaas een gevolg van oude gewoonten en onderliggende drijfveren die geleid hebben tot de huidige crisis. George Soros – de hefboommanager die zich ontpopte tot financieel goeroe – schreef in de Financial Times hierover dat bubbels niet irrationeel zijn maar juist een gevolg zijn van het feit dat kuddegedrag loont, tenminste voor een tijdje. Volgens hem mogen toezichthouders er niet op rekenen dat de markt die excessen zelf gaat indijken. Je zal als centrale bankier en/of opzichter regelmatig hard moeten ingrijpen, aldus Soros. Maar voorlopig komt daarvan weinig in huis en ook nationale overheden hebben, toen ze de noodlijdende banken moesten recht houden, een unieke kans laten liggen om verreikende hervormingen erdoor te duwen.


Het is inderdaad frustrerend om te moeten vaststellen dat we meer dan een jaar na het grote debacle nog niet veel verder zijn gekomen dan het gepalaver over het aan banden leggen van bonussen. In eigen land zal de implementatie van een nieuwe bonusregeling zelfs nog drie jaar op zich zal laten wachten. Dat is om banken zogezegd de tijd te geven zich aan te passen maar echt overtuigend klinkt dat niet. Ook de strategie van de Europese Commissie die onder impuls van Neelie Kroes heel wat banken een verplichte vermageringskuur oplegt, is niet vrij van kritiek. Niemand kan met zekerheid zeggen of dit de juiste weg is. Vooral de ad hoc basis waarmee wordt gewerkt doet vermoeden dat ook hier een algemene visie of consensus ontbreekt. Ook na de voorgestelde operaties blijven , bijvoorbeeld ING en KBC ‘too big to fail’.


Too big to fail


Een zeer recent onderzoek van Barclays Capital (BC) lijkt dit te bevestigen (zie tabel hieronder). Sinds 1990 werd de Europese banksector alsmaar groter. Met 15% van onze werkgelegenheid is de sector van de financiële diensten onwaarschijnlijk groot geworden. Echter ook individuele banken groeiden uit hun voegen. Volgens BC zijn er momenteel in Europa een twintigtal banken voor wie het label ‘too big to fail’ van toepassing is. Volgens BC zal het merendeel van deze mastodonten de komende jaren extra kapitaal nodig hebben. De tabel hieronder geeft weer hoe groot de extra kapitaalbehoeften van onze Belgische systeembanken zullen zijn indien ze tegen 2011 hun kernkapitaal ratio willen optrekken tot minimaal 10%.  KBC zou bijvoorbeeld volgens BC in 2011 uitkomen op een kernkapitaal ratio van 8,1%. Indien ze die met 2% wil optrekken zou ze extra kapitaal ter waarde van 25% van haar huidige marktwaarde nodig hebben.


Niet iedereen is het eens met de uitgangspunten van BC maar zeker is dat er de komende maanden en jaren nog heel wat discussies zullen gevoerd worden over wie al dan gedwongen moet worden om zijn balanstotaal te laten krimpen. Vooral over het hoe en wanneer zal nog een menig woordje gesproken worden.  Een belangrijke vraag is of men zo ver moet gaan om de scheiding tussen commercieel en zakelijk bankieren opnieuw in het leven te roepen? Dat zou betekenen dat men teruggrijpt naar wat voor de VS de Glass-Steagell act is geweest en bij ons de bankenwet van 1935. Die regelgeving legde een strikte scheiding op tussen het commercieel bankieren en het investeringsbankieren. Commercieel bankieren heet vandaag ‘narrow banking’ en komt erop neer dat banken die werken met spaargeld hun activiteiten beperken tot het klassiek uitlenen van geld aan gezinnen en bedrijven. Wil men toch casino-activiteiten ontwikkelen, dan wordt men een investeringsbank en ontzegt men zichzelf de toegang tot de spaarmarkt. Of we zover moeten gaan is onderwerp van discussie. Narrow banking legt namelijk beperkingen op aan het monetair beleid van centrale banken. Volgens sommigen gaat men daarmee een brug te ver terug in de tijd.

 

  Kernkapitaal (Tier 1 ratio) Extra kapitaal nodig in 2011*
Momenteel Tegen 2011
KBC 3,4 8,1 25%
BNP Paribas 6,9 9,2 10%
Dexia 10,4 - 0%


Papier met bubbels


De bezorgdheid van de BIS heeft echter niet enkel te maken met de gedragingen en drijfveren van banken en financiële instellingen. Mochten bepaalde omgevingsfactoren zoals het gebrekkig toezicht, de ongebreidelde kredietgroei en de globale onevenwichten er niet zijn geweest dan was het met deze crisis wellicht nooit zo ver gekomen. Vandaag hebben centrale banken de geldkranen echter aangekoppeld op brandslangen waarmee ze de grote economische brandhaarden proberen te bedwingen. In ruil voor waardeloos onderpand kunnen onze eigen banken bij de ECB onbeperkt lenen aan 1%. De vergoeding die banken krijgen wanneer ze het geleend geld zelf weer uitlenen is een veelvoud van wat ze de ECB verschuldigd zijn. De BIS vreest echter dat deze geldpolitiek de ontwikkeling van nieuwe zeepbellen stimuleert.


Ook de schuldopbouw door overheden biedt uitzicht op nieuwe excessen. Instellingen die bij de centrale banken geld lenen, kunnen dat vervolgens veilig beleggen in staatspapier dat een veelvoud aan rendement oplevert. Feitelijk komt dit erop neer dat u en ik de heropstanding van de banken mee aan het betalen zijn. En het gaat hier niet over kleine bedragen. Het adviesbureau McKinsey berekende onlangs dat westerse overheden in 2009 voor 12.000 miljard dollar nieuwe schuldtitels hebben uitgeven. Een deel daarvan om banken te herkapitaliseren. Op jaarbasis gerekend betreft het 3.000 miljard extra schuldopbouw ten opzichte van drie jaar geleden. De verrassende conclusie is dat sinds het uitbreken van de kredietcrisis de schuldgraad in de ontwikkelde wereld verder is gestegen terwijl iedereen het erover eens is dat die schuldgraad feitelijk naar omlaag moet. Terwijl private schuld moeizaam wordt afgebouwd komt publieke schuld er massaal voor in de plaats. De problemen in Griekenland zijn alvast een teken aan de wand en geven aan dat er grenzen zijn aan dit proces. Ook staatspapier is niet altijd en overal veilig.


En nu?


Uiteraard is het positief dat banken opnieuw winst maken want het brengt een sector die cruciaal is voor de financiering van onze economie er weer bovenop. Maar de wijze waarop dit gebeurt, zet de deur open voor een herhaling van de fouten uit het verleden. De vrees voor overdreven winstbejag en onverantwoord risicogedrag zijn niet uit de lucht gegrepen. En ook de bonussenhitparade is terug van weg geweest. De snelheid en ijver waarmee banken de eerder toegekende staatssteun willen terugbetalen kan de BIS niet bekoren. Het is goed dat men zo snel mogelijk opnieuw op eigen benen wil staan maar de vraag is wat de achterliggende drijfveren zijn? Men kan zich niet van de indruk ontdoen dat sommige instellingen uit zijn op snel geldgewin, desnoods ten koste van nieuwe excessen.


Dat brengt ons tenslotte bij een ander veelbesproken element en dat is de noodzaak tot globalisering van het toezicht. Met banken die pan-europees of zelfs wereldwijd opereren zou dat een logische zaak zijn. Het zou excessen sneller aan het licht brengen en toezichthouders en overheden op zijn minst de kans geven om in een eerder stadium in te grijpen. Maar de leiders van de G20 of zelfs maar de G8 komen daarover moeilijk tot een consensus. Er is nog nooit zoveel topoverleg geweest als het afgelopen jaar maar de concrete resultaten blijven mager. Er is aldus nog heel wat werk aan de winkel. Ook in eigen land waar de banksector een cruciale rol vervult bij het financieren van onze KMO’s, blijft het voorlopig muisstil.