Griekenland laat best euro los

Griekenland bevindt zich op een vergelijkbare als België begin jaren ’80. Toendertijd bracht een devaluatie van de Belgische frank soelaas voor zowel onze concurrentiepositie als de precaire budgettaire positie van de overheid. Voor Griekenland zou een devaluatie een gelijkaardig louterende invloed uitoefenen. Het tijdstip nadert waarbij Griekenland geen keuze meer heeft dan een forse devalutie, en dus een uitstap uit de euro, zo argumenteren Johan Van Overtveldt en Geert Janssens.

België in 1981...

Eind 1981 zat de Belgische economie zwaar in de rats. De begroting liep totaal uit de hand en de internationale concurrentiepositie van het bedrijfsleven had vooral ten gevolge van een forse toename van de loonkosten zware klappen gekregen. Onze relatieve loonkosten lagen in die dagen 10 tot 15% uit koers. De top van de toenmalige Nationale Bank van België suggereerde in beperkte kring dat België een nominale looninlevering van 10% voor iedereen diende te organiseren om de twee hoger genoemde ontsporingen van de Belgische economie te corrigeren. De NBB trok deze suggestie in nadat de toenmalige vakbondsbonzen er mee dreigden “het land in brand te steken” als men die voorstellen zou uitvoeren. In februari 1982 devalueerde de regering de Belgische frank met 8,5%. Deze ingreep herstelde in één klap in belangrijke mate de internationale concurrentiepositie van de Belgische ondernemingen. Bovendien zorgde de devaluatie voor een dergelijk schokeffect dat ook op budgettair vlak maatregelen mogelijk werden die letterlijk enkele dagen voordien nog onbespreekbaar waren.

Zoals Griekenland in 2010

Fast forward nu naar de lente van 2010. De Griekse economie zit diep in de rats. Het land slaagt er nauwelijks nog in één euro vers geld op te halen op de geld- en kapitaalmarkten. Zonder Europees geld en/of massale IMF-kredieten dreigt een ingrijpende schuldherschikking die een nieuwe bankcrisis binnen de eurozone nagenoeg onvermijdelijk maakt. Het Griekse begrotingstekort neemt hallucinante vormen aan, net als het deficit op de handelsbalans. Dit laatste gegeven wijst er ook al op dat Griekenland met een gigantisch probleem zit inzake het internationaal concurrentievermogen van haar ondernemingen. Dit schrijnend gebrek aan internationale competitiviteit vormt ons inziens een minstens even urgent probleem als de toestand van de publieke financiën. Immers, die handicap vreet de economische groei aan, vernietigt tewerkstelling, doet de overheidsinkomsten afkalven en duwt alzo de begroting nog verder in het rood. Vandaar dat correctie van de concurrentiehandicap absoluut centraal dient te staan in elk herstelbeleid voor Griekenland.

Op het vlak van de loonkosten, gecorrigeerd voor de productiviteit, ging Griekenland sedert de invoering van de euro ten aanzien van Duitsland, dé referentie-economie binnen het eurogeheel, 19% uit koers. Deze ontsporing van de loonkosten entte zich bovenop een handicap die in 1999 ook al substantieel was. Ook Portugal, Spanje en Italië bouwden de voorbije tien jaar ten aanzien van Duitsland een voor productiviteit gecorrigeerde loonkostenhandicap op in de buurt van de 20%. Voor België bedraagt die handicap 13,4%. De oorsprong van het enorme verlies aan internationaal concurrentievermogen in de zuiderse economieën dient fundamenteel gezocht bij het beleid van de Europese Centrale Bank (ECB). Per definitie kan die ECB maar één monetair beleid met één set van basisrentevoeten voeren. Ook al per definitie kan de ECB moeilijk anders dan dat beleid afstemmen op één of ander eurogemiddelde dat erg dicht in de buurt van de gegevenheden van de Duitse economie moet liggen. Onze oosterburen maken immers ruim één derde van de hele euro-economie uit.

One size does not fit all

Voor de zuiderse economieën, en zeker voor de Griekse, was het one size fits all-beleid van de ECB daarmee veel te laks. Daarbovenop komt het uitblijven van correcties via de financiële markten. Als gevolg van een lakse inschatting van de gevaren verbonden aan de opbouw van externe schulden hebben zij verzuimd om tijdig via hogere risicopremies de rente op schuldtitels uit tekortlanden de hoogte in te duwen. Wat nu gebeurt met Griekenland en ondertussen ook Portugal, had dus eigenlijk al veel vroeger moeten gebeuren en dus ook veel minder uitgesproken hoeven te zijn. Anders uitgedrukt: sedert het begin van het eurotijdperk had voor een land als Griekenland het rentepeil systematisch 2 à 3 procentpunt hoger moeten liggen dan nu effectief het geval was. Dit al te expansieve monetaire beleid leidde tot inflatie en overexpansie in rentegevoelige sectoren als bijvoorbeeld de bouwsector. Beide fenomenen duwde het loonniveau voortdurend de hoogte in. Sectoren onderhevig aan de internationale concurrentie konden in de verste verte niet de productiviteitstoename halen die nodig is om die escalerende loonkosten te neutraliseren. Vandaag kampen vele Griekse (en Portugese en Spaanse …) ondernemingen met een onoverbrugbaar competitief nadeel op de internationale markten.

Principieel bestaan er twee medicijnen, zeg maar paardenmiddelen, voor deze Griekse ziekte. De eerste daarvan behelst een interne devaluatie, zijnde maatregelen die het interne kostenpeil met 10 à 20% naar beneden brengen. Onvermijdelijk behelst deze therapie directe nominale looninleveringen van eenzelfde grootteorde en dit voor iedereen. Het moge duidelijk zijn dat, naar analogie met de dreigementen van de Belgische vakbondsbonzen eind 1981, zoiets een harde noot om kraken is binnen een democratisch bestel. Het tweede mogelijke medicijn is, wederom naar analogie met België in 1981-82, een devaluatie van de Griekse munt. Net zoals toen voor België zou een goed georganiseerde devaluatie er voor zorgen dat het internationaal concurrentievermogen hersteld wordt en dat het schokeffect het pad effent voor ingrijpende begrotingsmaatregelen. Uiteraard kan een devaluatie enkel gerealiseerd worden door een uitstap van Griekenland uit de euro.

Laat er geen misverstand over bestaan: zulk een euro-exit zou voor Griekenland zware kosten met zich meebrengen. De organisatie ervan zal veel zorg en internationale solidariteit vereisen om het niet tot een complete chaos te laten verworden. De rauwe realiteit is echter dat Griekenland snel het punt nadert dat het eigenlijk ten gronde geen andere optie meer heeft. Vers geld vanuit de EU en/of vanwege het IMF maakt nauwelijks verschil uit in termen van de basisproblematiek waar de Grieken voor staan. Er moet gevreesd worden dat de aanpak van die enorme problemen zonder goed georganiseerde en omkaderde devaluatie de overleving van de Griekse democratie zo goed als onmogelijk zal maken.