Gelukkig is er Duitsland

Auteur: 
Stijn Decock

'Waar kan ik heen?' U kent wellicht allemaal deze openingszin uit de hit van Het Goede Doel. Zanger Henk Westbroek is Nederland in 1982 beu en zoekt een ander land om in te wonen. In zijn zoektocht komt hij uiteindelijk uit bij België, 'Omdat iedereen daar lacht', klinkt zijn motivatie. Helaas is er 27 jaar later, voor wie het economisch-politiek beleid opvolgt, minder reden om te lachen. De begroting en overheidsschuld ontsporen, de concurrentiepositie staat onder zware druk, niemand weet hoe de pensioenen betaald kunnen worden, de overheidsadministratie is een veelkoppig monster... wellicht vertel ik de lezers hiermee niets nieuws. 'Waar kan ik heen?' Australië of Canada?, denk ik dan soms bij mezelf. Maar misschien hoeft het toch niet zo'n vaart te lopen en kan België/Vlaanderen meeliften met Nederland, Frankrijk of Duitsland, landen waar Westbroek destijds de neus voor ophaalde, maar die relatief beter voorbereid zijn op de grote uitdagingen die op ons afkomen.

Ruim een jaar nadat de grootste naoorlogse crisis losbarstte, krijgen we steeds beter zicht op de schade. Wat nu steeds meer duidelijk wordt, is dat de groeilanden weinig schade hebben geleden en dat het vooral een crisis is van de traditionele Westerse landen. Hoe zwaar zijn zij gehavend om de strijd tegen de drie grote uitdagingen aan te gaan: de verschuiving van de groei en productie naar de opkomende landen, de vergrijzing en de schaarste van grondstoffen? In grote lijnen kan je de Westerse landen in vier groepen opdelen. Vooreerst is er een heel kleine groep van Westerse landen die relatief ongeschonden uit deze crisis komt. Dat zijn Noorwegen, Australië en in mindere mate Canada. Landen die over grote grondstofreserves beschikken, verhoudingsgewijs weinig productie-industrie hebben en banken met propere balansen. De verdere globalisering zal de grondstofprijzen verder de hoogte induwen waardoor grondstofexporteurs van de globalisering profiteren. Bovendien kunnen ze met de opbrengsten hun pensioenen financieren.

Bij het type landen dat het zwaarst getroffen is kunnen de Zuid-Europese landen met de Angelsaksische landen (VS, VK, Ierland) wedijveren. Wellicht dat Zuid-Europa op de eerste plaats komt, omdat die landen het vermogen ontberen om zichzelf heruit te vinden, iets wat de VS wel kan. Vooreerst hebben de Zuiderse landen een groot tekort op de lopende rekening, waardoor ze verplicht beroep moeten doen op buitenlands geld om schulden te financieren. Griekenland en Italië worstelen met een overheidsschuld die meer dan 100% van het bbp bedraagt. Spanje kampt met gigantische werkloosheid, nog slechts een zucht verwijderd van de 20%-grens. Bovendien hebben die landen relatief meer last van de dure euro dan Noord-Europa omdat zij traditioneel binnen Europa de lage kostenproducent zijn en veel minder een 'kwaliteitspremie' kunnen doorrekenen. Ten slotte zal de vergrijzing in Zuid-Europa sneller en harder toeslaan vanwege het lage geboortecijfer.

Angelsaksische landen

Ook de Angelsaksische landen staan er beroerd voor. Een overheidsschuld die in het VK en de VS de 100% van het bbp zal bereiken, overheidstekorten van meer dan 10% van het bbp, tekorten op de lopende rekening, een werkloosheidgraad die in Ierland en de VS boven de 10% uitkomt. Bovendien is het banksysteem in die landen hard getroffen door de kredietcrisis. De groei was de voorbije jaren gestoeld op een kunstmatige vastgoedboom.

Nu die groeimotor voor lange tijd wegvalt, zou er zich een andere sector moeten aandienen die voor duurzame groei en banencreatie zorgt, maar die werd nog niet gevonden. Toch hebben de Angelsaksische landen een streep voor op de Zuiderse landen omdat ze in het verleden veel meer blijk gaven van ondernemerschap en het vermogen om nieuwe sectoren te creëren. Bovendien is de demografische evolutie in de VS minder zorgwekkend dan in Europa. Tot slot beschikken de VS en het VK over een eigen munt die een deel van de concurrentieschok kan opvangen.

Duitsland

Tot slot is er dan de groep landen die we continentaal Europa noemen: Duitsland, Frankrijk, Nederland, Oostenrijk, België... Voor het gemak tellen we de Scandinavische landen hier ook bij. Deze landen hebben zeker averij opgelopen doorheen de crisis maar al bij al houden ze stand en zijn ze relatief goed gewapend om hun welvaart op peil te houden. Duitsland heeft zeker een serieuze tik gekregen maar het groeimodel bleef overeind. De werkloosheid is er in de crisis maar beperkt opgelopen tot 8,2%. Dat is voor een groot deel te danken aan tijdelijke werkloosheidsprogramma's. Maar als de vraag aantrekt, wat ze aan het doen is, zullen die tijdelijke werklozen grotendeels opnieuw volledig aan de slag kunnen. Het Duits concurrentievermogen is door de crisis weinig aangetast. Uit recente cijfers (zoals exportorders) blijkt dat de wereld nog steeds Duitse machines en luxegoederen wenst. Bovendien staat Duitsland (samen met bijv. Denemarken) sterk in de sector van de groene economie (hernieuwbare energie, middelen om energie te besparen), een sector die door de energieschaarste en de klimaatzorgen alleen maar aan belang zal winnen (maar wel zijn groeipijnen zal kennen). De voormalige Bondskanselier Gerhard Schröder wist met de Harz hervormingen de verstarde arbeidsmarkt open te breken, wat de concurrentiepositie van Duitsland sterk verbeterde.

duitsland-figuur1

Nederland en Denemarken

Nederland en Denemarken zitten in grote lijnen in dezelfde richting van Duitsland; enkele sterke nichebedrijven en een stabiel en vooruitziend beleid. Nederland heeft met Rotterdam ook de belangrijkste toegangspoort tot de Duitse industrie. Nederland beschikt tevens over een stelsel van pensioenkapitalisatie (het geld ligt aan de kant) waardoor iedere generatie zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen pensioen en daardoor de toekomstige generaties weinig belast. Frankrijk blijft dan weer Frankrijk. Een land waar je als econoom nooit echt enthousiast over wordt maar dat zijn eigen weg vaart die het land beschermt tegen grote schokken. Een mix van economisch nationalisme, chauvinisme (koop Frans), eigenzinnigheid, verantwoordelijkheidszin (Franse banken komen vrij goed uit de crisis) en ambitie, zorgen ervoor dat het land standhoudt.

Buurlanden blijven belangrijke exportpartners

Tussen die landen ligt dus België. Onze buurlanden zijn met 46% van de totale export onze grootste exportpartners. De Belgische zware chemie en metaalindustrie blijft een zeer belangrijke toeleverancier voor die landen. Bovendien beschikken we met de zeehavens van Antwerpen, Zeebrugge en Gent over belangrijke toegangspoorten tot die landen. Dus zijn we als België of Vlaanderen ook in de toekomst sterk afhankelijk van de strategische keuzes die Nederland, Duitsland en Frankrijk maken. Het ziet er naar uit dat Duitsland en Nederland vrij goed gewapend zijn (binnen de groep van Westerse landen) om een antwoord te bieden op de uitdagingen die op ons afkomen. Zeker wanneer de vergrijzing voor een schaarste aan arbeidskrachten zorgt in Duitsland en Nederland. België, met zijn lage werkgelegenheidsgraad, moet hiervan kunnen profiteren.

Onze belangrijkste exportpartners:

duitsland-figuur2

De boodschap is dus dat onze concurrentiepositie ten opzichte van onze buurlanden meer dan ooit belangrijk is. We moeten aantrekkelijk genoeg zijn zodat we verder diensten en producten kunnen blijven toeleveren aan onze buurlanden. Daarom is het heel zorgwekkend dat onze loonkosten hoger liggen dan in Duitsland en Nederland alsook het feit dat te veel strategische dossiers niet of gebrekkig beslist raken (energiebeleid, vrijmaking goederenspoorvervoer...).

De jaren '60

Destijds trokken buitenlandse multinationals,vaak Duitse en Nederlandse, naar Vlaanderen omdat de lonen aantrekkelijk waren, de werknemers bekwaam en gemotiveerd en het beleid gunstig was. Dit zorgde voor de grote welvaartssprong in de jaren '60. We zijn deze drie factoren aan het verspelen. Wil België of Vlaanderen in de toekomst welvarend blijven, dan moeten die drie factoren; aantrekkelijke lonen ten opzichte van onze buurlanden, een goede infrastructuur en een gunstig beleid de spil zijn van het economisch beleid. 'Waar kan ik heen?' hopelijk is het niet de vraag die gemotiveerde ondernemers en arbeidskrachten in België zich de komende jaren moeten stellen.