Ethiek voor 'disruptors'

Is alles wat is ook goed? Het is een vraag die teruggaat op het klassieke ‘is-ought’-probleem van de Britse filosoof David Hume. Hij stelde dat we louter uit feiten over de werkelijkheid niet kunnen afleiden wat we moeten doen. Het eten van vlees is niet noodzakelijk goed omdat onze voorouders dat deden. Misschien zijn er wel andere goede redenen voor, maar dat is nu het punt niet. Waar het om gaat, is dat we waarden niet kunnen afleiden uit de feiten. Of dat alles wat mogelijk is, ook goed is.

Het is een gedachte die ook vandaag meer dan relevant is in het zogenaamde disruptiedenken. Het idee dat we vandaag geconfronteerd worden met versnelde en ingrijpende veranderingen, vaak onder invloed van digitale technologie. Technologie loopt in zekere zin altijd vooruit op de werkelijkheid. Daarom noemen we dit innovatie. Maar zoals correspondenten Karsten Lemmens en Pascal Dendooven in ‘De Standaard’ van 5 april 2016 schreven, is de schaal en snelheid van die veranderingen vergroot door de opkomst van het internet, pc’s en smartphones, die van iedereen een mogelijke disruptor maken. Ze stellen daarbij dat we tegenover disruptie onze ‘verouderde’ principes niet zomaar overboord moeten gooien, maar dat ze ook vernieuwing niet in de weg mogen staan.

Kritische houding

Toch blijft de mens grotendeels onbelicht in het publieke debat en de wervelende talks van veelbeluisterde technologie-experten over disruptie. Google weet alles van je? Get over it! Privacy? Voorbijgestreefd! Waarom dan wel? Omdat dit nu eenmaal het nieuwe normaal is in de hypertransparante netwerksamenleving. Welkom in de 21ste eeuw! Zou wie privacy stoer naar de prullenbak van de geschiedenis verwijst, zijn uitspraak ook naakt voor de camera durven doen, denk ik dan. Want privacy, dat is toch niet meer van vandaag.

Die weinig kritische houding tegenover disruptieve vernieuwing is het ‘is-ought’-probleem van vandaag. De feitelijke technologische mogelijkheden lijken wel per definitie goed te zijn. Zeker nu de macht van een handvol tech-reuzen, zoals Facebook, Google en Alibaba, te groot lijkt om iets tegen in te brengen. We gaan die toch niet verbieden, hoor ik u denken? Natuurlijk niet. We hebben de textielindustrie ook niet verboden toen bekend werd dat er vaak kinderarbeid mee gemoeid was. Maar de publieke opinie en (zelf)regulering legden de praktijk wel aan banden. Vandaag maken heel wat grote en kleine spelers in de sector er een punt van dat hun kleren ‘proper’ zijn.

Aandacht voor de mens

Economische en technologische vooruitgang moet niet verhinderd worden met nog meer regeltjes en procedures. Wel mag er meer aandacht zijn voor waarden in de disruptieve economie. Onder de vorm van duurzaam en maatschappelijk verantwoord ondernemen heeft ethiek de laatste decennia opgang gemaakt in de bedrijfswereld. Het is niet omdat Facebook meer dan anderhalf miljard gebruikers heeft dat het bedrijf daarboven staat. Integendeel, met macht komt meer verantwoordelijkheid. Dat is de reden waarom we in democratische samenlevingen de ambtstermijn van onze machtshebbers beperken in de tijd of waarom we monopolies in de bedrijfswereld vermijden.

In plaats van extra regelgeving pleit ik daarom voor meer aandacht voor de mens in het disruptieve denken. Ten eerste bij de experts ter zake, maar ook in de STEM-opleidingen die vandaag terecht gepromoot worden. Technologie is niet neutraal. Zeker wanneer die autonomer wordt met behulp van artificiële intelligentie (zoals zelfrijdende wagens) of zeer veel informatie over mensen gaat bezitten (zoals digitale assistenten als Apple’s Siri of Google Now). Het internet of things moet een internet voor de mens blijven. Ethiek voor disruptors kan de toekomstige Zuckerbergs daarbij helpen.