Economen verdeeld over lastenverlaging

Auteur: 
Trends

Niet alleen politici vechten een robbertje uit over de zin en onzin van doelgerichte loonlastenverlagingen voor kansengroepen zoals 50-plussers en jongeren. Ook bij economen zijn de meningen verdeeld. "Lastenverlagingen in het kader van een doelgroepenbeleid zijn op zich een goede zaak voor categorieën van werkzoekenden die het moeilijk hebben, maar de zaken liggen ingewikkelder", legt Geert Janssens van denktank VKW Metena uit. "In 60 tot 70 procent van de gevallen gaat het hier om een verdringings- of substitutie-effect van reguliere tewerkstelling. Bedrijven werven mensen uit die doelgroepen aan wegens de lastenverlagingen, maar het risico bestaat dat er een verkeerde matching ontstaat en mensen aan de slag gaan terwijl ze niet over de juiste competenties beschikken. Bepaalde jobs zouden trouwens sowieso gecreëerd zijn, zelfs zonder gerichte lastenverlagingen."



Janssens is voor lineaire lastenverlagingen. Onderzoek toont aan dat dit de efficiëntste vorm is van vraagstimulering. De VKW-studax verwijst daarbij naar Joep Konings, voormalig decaan van de Leuvense economiefaculteit. Hij pleitte al voor een forfaitaire lastenverlaging. Die is in zijn ogen sociaal, want weegt zwaarder bij de lage dan bij de hoge lonen.

Freddy Heylen (Universiteit Gent) is niet enthousiast over de afbouw van het doelgroepenbeleid. Een algemene lastenverlaging komt ook de groep tussen 25 en 50 jaar ten goede, maar die zijn sterk vertegenwoordigd op de arbeidsmarkt. De werkgelegenheidsgraad van die categorie bedraagt in België 80 procent en dat cijfer steekt schril af tegen de lage participatie van jongeren en 50-plussers (zo'n 34 procent). "Deze groepen zijn in internationale vergelijkingen bijzonder zwak aanwezig op de arbeidsmarkt. Studies tonen ook aan dat een lastenverlaging voor deze groepen sterkere effecten heeft. Je mag ook het langetermijnprobleem niet uit het oog verliezen: het risico dat deze groep permanent uitgesloten blijft van de arbeidsmarkt."

De sociale partners blijven hameren op algemene lastenverlagingen omdat anders de concurrentiepositie van België verder in gevaar komt. Maar Heylen twijfelt al lang of België een macro-economisch loonkostenprobleem heeft. "In sommige landen gingen de lonen meer omhoog dan bij ons en steeg ook de werkgelegenheid. Sterkere vooruitgang in productiviteit en innovatie laat stijgende lonen én stijgende werkgelegenheid én het behoud van concurrentiekracht toe."

Waar de economen het wel over eens zijn, is dat de stimulering van de vraag naar arbeid onvoldoende is. "Ik geef toe dat de crisis misschien meer voor een prangend vraagprobleem op de arbeidsmarkt zorgt, maar vandaag staan nog steeds 37.000 vacatures open. Het arbeidspotentieel van de bevolking wordt niet benut en dat probleem wordt met de vergrijzing alleen maar groter. Als je bepaalde doelgroepen naar een job wil loodsen, dan werk je beter aan de aanbodkant", zegt Janssens. "Ik denk dan aan trajectbegeleiding en opleiding." Hij verwijst ook naar de inactiviteits- en werkloosheidsvallen. "Zolang men dat verschil onaangeroerd laat, blijft een werkgelegenheidsbeleid moeilijk. Vraagstimulerende premies voor doelgroepen kunnen daar niets aan veranderen."

© Roularta Media Group