De Verdeelde Staten van Amerika

Auteur: 
Stijn Decock

U leest het goed. In de titel staat wel degelijk ‘Amerika' en niet ‘Europa'. Terwijl het pessimisme over de toekomst van de eurozone en de EU zowat op zijn maximum zit, gaan we toch naar de andere kant van de Atlantische Oceaan. Want het idee dat daar een homogeen land ligt, krachtig genoeg om de crisis te bestrijden, verdient enige nuance. Net zoals het idee dat Europa hopeloos verdeeld is.

U leest het goed. In de titel staat wel degelijk ‘Amerika’ en niet ‘Europa’. Terwijl het pessimisme over de toekomst van de eurozone en de EU zowat op zijn maximum zit, gaan we toch naar de andere kant van de Atlantische Oceaan. Want het idee dat daar een homogeen land ligt, krachtig genoeg om de crisis te bestrijden, verdient enige nuance. Net zoals het idee dat Europa hopeloos verdeeld is.

Het hoeft geen betoog dat de problemen rond Griekenland de constructiefouten van de eurozone volop in het licht zetten. In grote lijnen zijn er 3 fouten; geen dwingende begrotingsnormen, geen eengemaakt economisch beleid en weinig arbeidsmobiliteit. Het zijn grosso modo de criteria die de Canadese econoom Robert Mundell beschreef als de noodzakelijke voorwaarden voor een optimale muntunie. Vooral de Angelsaksische financiële pers kan het leedvermaak bij de Griekse crisis nauwelijks verbergen en ziet het grote gelijk van het euroscepticisme nu eindelijk bewezen. De Verenigde Staten gelden dan als lichtend voorbeeld van een sterke economische zone.

Werkloosheid in Michigan

Maar dit verhult dat de verschillen binnen de VS groot zijn en vaak onderschat. Om het eerst maar eens over de kwestie van arbeidsmobiliteit te hebben, een punt dat economen graag aanhalen als een sterke troef voor de VS. In Michigan, een staat met bijna 10 miljoen mensen, bedraagt de werkloosheid maar liefst 14,6%. In de weinig bevolkte landbouwstaat North Dakota slechts 4,4%. Een verschil van 10,2%. In Europa bedraagt de laagste werkloosheidsgraad eveneens 4,4% (Denemarken), de hoogste 19,4% (Spanje). Alle andere Europese landen zitten aan een werkloosheidsgraad van minder dan 14%. Frappanter is het verschil tussen de twee sterkste staten in beide gebieden. De economisch belangrijkste staat van de VS is Californië, dat tegen een werkloosheidsgraad van 12,2% en een gigantisch begrotingstekort ten opzichte van haar budget aankijkt. Voor Europa is het belangrijkste lid Duitsland, dat met een werkloosheidsgraad van 8,1% kampt en een begrotingstekort van 3,2% van het bbp.

Er zijn in de VS nog wel een paar belangrijke staten met werkloosheidscijfers die stevig boven het landelijk gemiddelde van 10% uittornen. Nevada telt 13% werklozen, Florida 11,8% en South Carolina 12,6%. De staten met lage werkloosheidscijfers (rond de 6%) zijn vooral de landbouwstaten in het midden van de VS. Het algemeen werkloosheidscijfer van de VS, dat 10% bedraagt en evenveel is als in de eurozone, verbergt regionale verschillen die groter zijn dan aangenomen. Je kan hier argumenteren dat de conjunctuur nog niet in de fase zit waarbij netto nieuwe banen gecreëerd worden. Pas vanaf de fase van arbeidscreatie gaan we de regionale verschillen zien afvlakken en zal de arbeidsmobiliteit opnieuw op gang komen. 

Huizencrash en arbeidsmobiliteit

Het tegenargument is dat de huizencrash de arbeidsmobiliteit zal verlagen. Vele Amerikaanse gezinnen zitten met huizen opgescheept waarvan de verkoopswaarde lager ligt dan hun hypotheek. Het huis nu gedwongen verkopen is een zware verliesoperatie. De hoge olieprijzen en de gebrekkige staat van het openbaar vervoer (Amerikanen pendelen gemiddeld dubbel zoveel kilometers als in Europa) maakt pendelen duur voor wie over een laag inkomen beschikt. Hoewel we geen duidelijke cijfers hebben, is de arbeidsmobiliteit in Europa wel gestegen. De transportmogelijkheden zijn de afgelopen 10 jaar fors gegroeid dankzij lagekost vliegtuigmaatschappijen, internationale hogesnelheidstreinen, autostrades… Het aantal steden met grote Europese expat communities genre Londen of Brussel is toegenomen, Oost-Europeanen migreren makkelijk naar plaatsen waar jobs zijn, Engels geldt steeds meer als de lingua franca bij jonge Europeanen…  De arbeidsmobiliteit in Europa is zeker nog niet te vergelijken met de VS, maar is wel toegenomen.

Nog groter is de verdeeldheid in de VS op het socio-economisch vlak. Er is de inkomenskloof tussen arm en rijk die groter is dan in Europa. Ook in de VS lopen de meningen over de te nemen socio-economische maatregelen sterk uiteen. Neem vooreerst de inkomensongelijkheid. De maatstaf hiervoor is de Gini-coëfficiënt die de mate van ongelijkheid tussen de inkomens meet. Hoe hoger de Gini-index, hoe groter de ongelijkheid. In de VS bedraagt de Gini-coëfficiënt 46,9 op een schaal van 100, in de Europese Unie is dat slechts 31. De ongelijkheid neemt eerder nog toe.  Een studie van het Amerikaans volkstellingbureau wees vorige herfst aan dat het reëel Amerikaans mediaaninkomen tussen 2000 en 2008 daalde van 52.500 dollar per jaar tot 50.303. Een bijkomend probleem is het lage niveau van het staatsonderwijs, dat de kloof tussen arm en rijk verder uitdiept en het toekomstig groeipotentieel aantast.

Kloof tussen conservatieven en democraten

De verdeeldheid vertaalt zich ook op politiek vlak waarbij democraten en conservatieven verder uiteen drijven waardoor het doorvoeren van economische veranderingen steeds moeilijker wordt. Zelfs met een absolute democratische meerderheid lukt het president Obama vooralsnog niet om noodzakelijke hervormingen in het sociale zekerheidssysteem door te voeren. De mislukte klimaattop in Kopenhagen bewees eveneens dat een groot deel van de VS nog niet klaar is om op gebied van milieu een versnelling hoger te schakelen. De kloof in de VS tussen degenen die een meer Europese politiek willen (meer sociale zekerheid, meer inspanningen op milieugebied) en degenen die dat absoluut niet willen, groeit. Beide groepen blokkeren elkaar waardoor moeilijk nog iets beslist raakt.

Maar ook de Europese Unie is verre van een club van eensgezinde lieden. Toch zijn de verschillen op socio-economisch gebied minder groot dan aangenomen. In de meeste grote landen regeren politici die tot de centrumrechtse of centrumlinkse familie horen. Over de rol van de staat en de privésector zijn er zeker meningsverschillen, maar die zijn kleiner dan in de VS. In Europa is er geen meerderheid voor een grote liberalisering zoals in de VS, evenmin is er een meerderheid voor een vergaande nationalisering. Het Rijnlandmodel geniet nog altijd de grote voorkeur in continentaal Europa. Ook over de groene economie zijn er weinig verschillen; van Spanje tot Denemarken kiest men op een of andere manier voor grootschalige groene energieprojecten. De reductienormen die Europa zichzelf op het gebied van CO2 oplegt, zorgden al bij al voor weinig discussie tussen de landen. Ook het principe dat strenge wetgeving (milieu, hygiëne, veiligheidsnormen…) een drijver kan zijn voor technologische innovatie wordt in Europa algemeen aanvaard.

Eigenlijk komt het erop neer dat Europa een beetje meer de VS moet worden en de VS een beetje meer Europa. Europa moet eensgezinder naar buiten komen en meer durf en ondernemingszin aan de dag leggen. Een cultuur bij de bevolking kweken van geloof in eigen kunnen in plaats van teveel op de sociale beschermingsstructuren te rekenen. De VS moet daarentegen een beleid voeren waarbij de vrije markt meer gereguleerd wordt, geïnvesteerd wordt in de lagere klassen (bv onderwijs, ziekteverzekering) en vooruitstrevender worden in hun milieubeleid. We zullen zien wie het eerst in zijn opdracht zal slagen. 

 

State budget Gaps2