De taxshift die aankomt als een taxlift

Auteur: 
De Tijd

Opiniebijdrage van De Ravensteingroep (De Tijd, 22 april 2015)

De belastingdruk op arbeid in ons land is bij de hoogste van de wereld. Een taxshift die lasten op arbeid verschuift naar andere inkomstenbronnen is economisch dan ook goed verdedigbaar, zeker als dat zou gebeuren via een verlaging van de werkgeversbijdragen. Toch moeten we ons hoeden voor enkele valkuilen en misverstanden.

Lasten op arbeid

Het achterliggende idee van een taxshift is het verlagen van de lasten op arbeid. Dat kan op twee manieren. Via een verlaging van de werknemersbijdragen of bedrijfsvoorheffing stijgt het netto-inkomen van wie werkt. Dan blijft de taxshift een vorm van welvaartsherverdeling tussen personen met een zeer beperkt effect op loonkosten, competitiviteit en jobcreatie.

Een tweede piste, een taxshift via een daling van de werkgeversbijdragen, draagt wel rechtstreeks bij tot een verbetering van de competitiviteit van de bedrijven. Wie al werk heeft, voelt zo’n lastenverlaging minder of zelfs helemaal niet. Toch hebben ze er baat bij. De leefbaarheid van hun job komt minder onder druk te staan. Er worden ook gemakkelijker nieuwe jobs gecreëerd. Daardoor neemt per saldo de koopkracht op termijn toe, zij het op macroniveau. De economische topprioriteit is volgens ons niet zozeer het loon van wie werkt te doen stijgen. Dat zou mooi zijn, maar werk creëren voor wie er nog geen heeft, is veel belangrijker.

Bij het inschatten van de werkgelegenheidseffecten moet men overigens realistisch zijn. Op korte termijn zijn de terugverdieneffecten voor de overheid klein. Ze zullen zich pas na verloop van tijd manifesteren. Het heeft dus geen zin om de verlaging van de werkgeversbijdragen te koppelen aan strikte voorwaarden inzake bijkomende tewerkstelling. De taxshift moet worden geprefinancierd, zelfs als de noodzakelijke budgettaire besparingen worden doorgevoerd.

Vermogensbelasting

De kans is groot dat de doorsneeburger deze taxshift zal voelen in zijn portemonnee. Verschillende pistes liggen op tafel. Een voor de hand liggende optie is het opheffen van allerlei uitzonderingen en gunsttarieven in de btw, bijvoorbeeld het tarief van 6 procent op elektriciteit. Dat tarief naar 21 procent optrekken (uiteraard zonder dat door te rekenen in de index) past in een strategie waarbij milieubelastingen onze economie duurzamer maken. Milieubelastingen zijn overigens de enige aanslagbron waar de Belgische tarieven nog niet tot de hoogste behoren. Inzake belastingen op arbeid, kapitaal en vermogen zijn we nu al bij de koplopers.

Om voldoende geld op te halen zal ook een hogere belasting op roerende inkomens de taxshift mee moeten financieren. Blijkbaar is dat wat de publieke opinie verwacht. Maar wegens de internationale mobiliteit van vermogen is dat geen evidentie. Het afvoeren van de rijkentaks in Frankrijk is een veeg teken. Het toont aan dat een belastingsysteem niet mag leiden tot ongewenste gedragsveranderingen. De overheid kan er natuurlijk naar streven het gedrag van burgers en bedrijven te beïnvloeden, zoals met milieubelastingen. De belasting brengt dan relatief weinig op, omdat mensen hun gedrag aanpassen, wat net de bedoeling is van die belasting.

De bedoeling van een vermogensbelasting is dat ze juist wél opbrengt. De mobiliteit van kapitaal zet echter de deur open voor ontwijkend gedrag. Eender welke vermogensbelasting moet zeer oordeelkundig worden ingevoerd. Een mogelijke piste is het belasten van effectieve huurinkomsten. Indien gecombineerd met een aftrek van investeringen in het verhuurde vastgoed zal dat het zwartwerk in de bouw terugdringen. Ook een hogere roerende voorheffing behoort tot de mogelijkheden, bijvoorbeeld door de uitzonderingen te schrappen. Tot slot denken we dat misbruik van de fiscale vrijstelling van het spaarboekje vrij eenvoudig aan banden kan worden gelegd door de vrijstelling te laten verlopen via de belastingaangifte.

Hervorming noodzakelijk

De combinatie van die maatregelen kan naargelang de modulering en de eventuele compensaties voor lagere inkomens enkele miljarden euro’s opleveren. Daarmee kunnen we de basis leggen voor een behoorlijke taxshift. De doorsnee inkomens zullen deze shift evenwel eerder ervaren als een taxlift. De algemene verwachting is immers dat de ‘rijken’ de shift betalen, waardoor men er zelf netto op vooruit gaat. Echter, macro-economisch valt veel te zeggen voor een verlaging van de loonkosten via de werkgeversbijdragen en dus niet via de werknemersbijdragen. Dat scenario is beter voor de economische groei en de jobcreatie.

Wie vandaag al werkt en een behoorlijk inkomen heeft, riskeert op korte termijn de taxshift mee te zullen betalen. Maar dat maakt hem niet minder wenselijk of noodzakelijk. Ons belastingsysteem moet sowieso dringend en grondig hervormd worden en dat moet veel meer zijn dan het resultaat van de zoveelste nachtelijke begrotingsronde. We moeten er als samenleving in haar geheel op vooruitgaan, onder meer door meer mensen aan een job te helpen. De taxshift die, zonder de noodzakelijke terugdringing van het overheidsbeslag uit het oog te verliezen, de lasten op arbeid verlaagt via een verschuiving van de werkgeversbijdragen naar andere inkomstenbronnen, biedt dat perspectief.

De Ravensteingroep
Henri Bogaert, Etienne de Callataÿ, Geert Janssens, Philippe Ledent, Luc Sels, Peter Vanden Houte en Caroline Ven.

Copyright © 2015 Mediafin. Alle rechten voorbehouden