De opkomst van China: Zegen of vloek?

Diverse landen, van Australië tot Brazilië, lijken de crisis grotendeels afgeschud te hebben. Geen regio slaagt hier echter zo goed in als Zuid-Oost-Azië, met China op kop. In het vierde kwartaal van dit jaar verwachten analisten dat de Chinese economie opnieuw 10% of meer kan groeien (op geannualiseerde basis). Het verschil qua groeiprestaties tussen West-Europa is nog nooit zo groot geweest. Her en der wordt gevreesd dat deze spectaculaire groei ten koste gaat van westerse landen. De argumenten gaan als volgt: Ondernemingen herlokaliseren zich voor de goedkope werkkrachten, onze export wordt onderuit gehaald en onze markten worden overspoeld door producten met een twijfelachtige kwaliteit.

Desondanks is het helemaal niet evident dat de opmars van China nadelig is voor ons land, wel integendeel.

Ook voordelen

Allereerst hoeft een sterke groei van het ene land of regio niet automatisch nadelig te zijn voor de rest van de wereld. Economische groei is geen sportcompetitie waarbij een vast aantal punten te verdelen vallen en waarbij een goede prestatie van de ene partij automatisch ten koste gaat van de andere.

Ten tweede biedt de, potentieel gigantische, Chinese exportmarkt mogelijkheden voor Belgische ondernemingen. De export naar China van Europese ondernemingen is met 65 procent toegenomen tussen 2004 en 2008; een evolutie die zich de komende jaren hoogstwaarschijnlijk zal doorzetten en nog versnellen.

Ten derde houdt de import van goedkope, Chinese producten ook in dat consumenten producten aan een lagere prijs kan bekomen en producenten goedkopere inputs kunnen bemachtigen. Dit betekent eveneens dat de inflatie makkelijker bedwongen kan worden.

Vooral dit laatste effect weegt zwaar door volgens een studie van het Nederlands Planbureau, die samenvat dat de groei van China eerder positieve dan negatieve gevolgen heeft voor de Nederlandse economie. Verder bestaat er relatief weinig overlap tussen de exportproducten van China en Nederland, waardoor de schade voor de exportsector bescheiden blijft. Het aantal bedrijfssluitingen, herstructureringen en uitwijkingen van ondernemingen naar China bleef dan ook beperkt. Aangezien België en Nederland beiden kleine, open economieën zijn en veel overeenkomsten vertonen, zal eenzelfde conclusie zich waarschijnlijk aandienen voor ons land.

Geen fair playing field

Het plaatje is evenwel niet ongemengd positief. Een aantal pijnpunten blijven echter bestaan volgens een rapport van de Europese Commissie van 4 september 2009:

  • De gebrekkige bescherming van intellectuele rechten is endemisch in China. Maar liefst 7 op de 10 Europese ondernemingen die actief zijn, zijn slachtoffer geworden van inbreuken hieromtrent en 60% van de vervalste producten die in beslag genomen worden aan de grenzen komt van China.
  • Voor buitenlandse ondernemingen blijft het moeilijk om ondernemingen op te starten of over te nemen en binnen te dringen in de Chinese markt. Sectoren als de bouw, financiën of telecommunicatie worden met name afgeschermd van overheidswege. Dat de 34 meest winstgevende Chinese ondernemingen stuk voor stuk staatsbedrijven zijn, illustreert de moeilijkheid van buitenlandse ondernemingen op door te breken. Verder zijn de procedures om zaken te doen niet altijd even doorzichtig.
  • Er zijn momenteel 50 zaken rond antidumping rond Chinese producten naar de EU hangende. Hoewel deze zaken slechts betrekking hebben op 1% van alle import uit China, zijn ze symptomatisch voor de agressieve manier waarop de Europese markt benaderd wordt. De discussie rond de waardering van de yuan, de Chinse munt, kadert hier eveneens in.

De indruk dat er geen ‘fair level playing field’ bestaat, dat onze markten veel toegankelijker zijn voor China dan omgekeerd, is met andere woorden niet geheel onterecht. Mocht China bereid zijn om hieraan tegemoet te komen, zou de angst voor de opkomende economische macht van het land voor een groot stuk verdwijnen. Op termijn kan het land immers een nieuwe motor worden van wereldwijde economische welvaart en andere regio’s op sleeptouw nemen, een rol die in het verleden al te vaak en al te sterk rustte op de Amerikaanse schouders.