Boter op vele hoofden

De Nederlandse minister van Financiën Wouter Bos wil een examen voor bankiers. Op die manier wil hij bekomen dat bankiers over voldoende deskundigheid beschikken om goed met geld om te gaan. In een periode dat examenkoorts alom tegenwoordig tekent, valt het te begrijpen dat de gedachten van bewindsvoerders ook in die richting afdwalen. Helaas is het moeilijk in te zien wat een dergelijk ”rijbewijs voor bankiers” (dixit Wouter Bos) gaat bijdragen aan de oplossing van de huidige financiële crisis en, vooral, de voorkoming van toekomstige zware incidenten in de financiële sfeer.

Niet enkel een gebrek aan vakkennis

Het staat buiten kijf dat de bankiers flink wat boter op het hoofd hebben. Wat zij ten gronde fout deden, komt neer op een groteske onderschatting van de risico’s die zij binnen pakten. Die beoordelingsfouten gebeurden echter niet zomaar in het luchtledige of omdat het wereldwijde bankiersheir plots overvallen werd door een collectieve verlamming in dat gedeelte van de hersenen dat instaat voor risico-evaluatie en –beheer. Neen, de bankiersontsporingen grepen plaats in het kader van een concrete macro-economische, monetaire, fiscale en regulerende omgeving. Het lijkt, om het op zijn Hollands te zeggen, compleet van de pot gerukt om te denken, zoals Bos klaarblijkelijk doet, dat bankiers binnen die omgeving anders zouden gehandeld hebben dan ze de voorbije jaren deden indien ze voordien een bankiersexamen hadden afgelegd.

Niet enkel de schuld van bankiers

Deze financiële crisis is een gedeelde verantwoordelijkheid. Naast de bankiers hebben inderdaad ook, onder meer, de politici en de technocraten/bureaucraten die de regelgeving van het bancaire systeem concreet moeten vorm geven en controleren, een dikke laag boter op het hoofd. Daar waar velen vandaag klaarstaan om de bankiers de volle laag te geven, wordt de verantwoordelijkheidsvraag naar de overheden toe slechts met mondjesmaat gesteld. We kunnen daar uitgebreide algemene en theoretische beschouwingen over ophangen maar niets illustreert deze problematiek beter dan een ernstige analyse van wat nog altijd als de aansteker van de financiële miserie van de voorbije twee jaar wordt gezien, nl. de Amerikaanse subprimes of rommelhypotheken.

Rol van de Amerikaanse overheid in de vastgoedbubble

Het meest verkondigde verhaal over het subprime-debacle luidt dat gehaaide financiers massaal hypothecaire leningen sleten aan mensen die financieel gezien de terugbetalingsverplichtingen niet of nauwelijks aankonden. Via de techniek van de securizering konden een tijd lang de reële risico’s van die leningen verdoezeld worden maar uiteindelijk barstte in de zomer van 2007 dan toch de bom. Dit verhaal klopt maar is slechts een onderdeel van het complete verhaal. Het Amerikaanse overheidsbeleid ten aanzien van woningbezit vormt het tweede grote luik van het drama van de rommelhypotheken.

Vooral vanaf het begin van de jaren 1990 vormde de stimulering van het woningbezit ook onder minder begoede Amerikanen een beleidsoptie die zowel onder Democratisch als onder Republikeins bewind sterk nagestreefd werd. De Community Reinvestment Act en de HOPE for Homeowners Act zijn twee van de vele wetgevende initiatieven die kaderen in die beleidsoptie. Het is echter in het kader opgelegd aan de semi-overheidsbedrijven Fannie Mae en Freddie Mac dat de meest flagrante stimuli ingebouwd zaten om de woningeigendom van niet- of weinig-vermogende Amerikanen op te voeren (Fannie en Freddie werden ondertussen volledig genationaliseerd). Fannie en Freddie bezetten een erg centrale en dominante positie binnen het Amerikaanse systeem van hypothecaire financieringen.

Stimulering van rommelhypotheken

De druk vanuit het Amerikaanse Congres op Freddie en Fannie om meer hypotheekfinanciering voor lagere inkomens te doen, nam vooral vanaf het midden van de  jaren 1990 concrete vormen aan. In 1996 legde het Department of Housing and Urban Development (HUD) op dat 42% van de hypotheken gefinancierd via beide instellingen ten gunste van inkomens beneden het Amerikaanse mediaaninkomen zou komen. Tegen 2006 was dat percentage opgetrokken tot 52%. Ook in 1996 kwam er van datzelfde HUD de opdracht dat 12% van de financieringen ten gunste dienden te zijn van mensen wier inkomen zich onder de 60% bevond van de mediaan van de regio waarin zij leven. Dit laatste percentage lag tegen 2005 op 22%. Waarschuwingen gelanceerd door analisten binnen zowel Fannie Mae als Freddie Mac dat de risico’s verbonden aan die financieringen (te) hoog begonnen op te lopen, werden zowel door de top van beide instellingen als door de politici in de wind geslagen. Onderzoek verricht door Charles Calomiris, prof aan de Columbia Business School in New York en o.m. ook consultant bij de Federal Deposit Insurance Corporation (FDIC), wijst uit dat “zonder het actieve stimuleringsbeleid terzake van Fannie en Freddie het volume aan verleende rommelhypotheken minstens de helft lager zou gelegen hebben”.

Grootschalige examenronde?

Het voorbeeld van de rol welke politieke verantwoordelijken en regulatoren gespeeld hebben in de totstandkoming van de zeepbel inzake rommelhypotheken is geen alleenstaand feit. Boter druipt dus ook van deze hoofden. Meteen ligt het ook voor de hand dat indien het idee van Wouter Bos om tot het afnemen van bankiersexamens over te gaan, navolging zou krijgen, dat we dan ook tot het examineren van politici (zeker ministers van Financiën), centrale bankiers en verantwoordelijken voor het regelgevende  gebeuren moeten overgaan. Veel zinvoller is het hele idee een stille dood laten sterven.