Belgische superwinsten blijken gematigd

Auteur: 
De Tijd

ONDERNEMINGEN Denktank VKW Metena verdedigt winst als zuurstof voor economie

-- (tijd) - De berichten dat de Belgische bedrijven de jongste jaren superwinsten boekten, moeten met een flinke korrel zout genomen worden. In werkelijkheid zit het aandeel van de brutowinsten in het bbp nog altijd onder het gemiddelde van de jongste 50 jaar. Ook bij een internationale vergelijking scoren de Belgische winstcijfers helemaal niet zo hoog.

Dat besluit VKW Metena, de denktank van de christelijke werkgeversorganisatie VKW, uit een onderzoek naar de evolutie van de Belgische winstcijfers sinds begin de jaren 60. Het VKW houdt op 18 maart een congres over de rol van winst in de economie en de samenleving. De organisatie wil zo weerwerk bieden op de volgens haar excessieve aanvallen van vooral de vakbonden op die 'superwinsten'. Vooral het feit dat het aandeel van de lonen in het bruto binnenlands product (bbp) de jongste jaren zakt, zit de bonden hoog.

VKW Metena-directeur Caroline Ven erkent dat het aandeel van de brutowinsten al enkele jaren aan het stijgen is. Maar het gaat enkel om een herstel, nadat het winstaandeel in het begin van dit decennium tot een dieptepunt gezakt was. Ook nu zitten we nog nipt onder het historische gemiddelde aandeel van net geen 40 procent en heel diep onder het niveau van de 'gouden jaren 60'. Een internationale vergelijking helpt het verhaal van de Belgische superwinsten te relativeren. Het Belgische brutowinstaandeel in het bbp zit al sinds het midden van de jaren 70 onder het gemiddelde van de eurolanden.

VKW Metena zet zich ook af tegen het idee dat winst 'vies' zou zijn. De realiteit is dat onze economie vierkant draait als de bedrijven onvoldoende beloond worden voor de risico's die ze nemen. Volgens Ven is het geen toeval dat de jaren met de zwakste economische groei ook die waren waarin het brutowinstaandeel in het bbp zakte. Telkens waren het periodes waarin de loonkosten fors stegen. Op korte termijn leidde dat inderdaad tot een hoger werknemersaandeel in het bbp. Maar op langere termijn betaalden de werknemers daarvoor een prijs onder de vorm van meer werkloosheid. Telkens was een politiek van loonmatiging nodig om het tij te keren.

Volgens Ven hebben dus ook de werknemers belang bij een voldoende winstmarge. 'Wat is het best? Een groot stuk van een kleine taart, of een kleiner stuk van een grote taart die nog groter wordt?'

investeringen

Maar ook dan leeft de discussie over wat de bedrijven met die winsten aanvangen. Wie naar de rekeningen van de vennootschappen kijkt, merkt dat het overgrote deel van het bruto beschikbare inkomen van de bedrijven geïnvesteerd wordt. Tussen 1995 en 2007 schommelde het aandeel van de brutokapitaalvorming in het bbp rond 13 procent. Het idee dat bedrijven steeds minder belastingen betalen, blijkt ook niet te kloppen. In 1995 waren de belastingen op de winsten en het vermogen van de ondernemingen goed voor 2,4 procent van het bbp. Intussen is dat aandeel gestegen tot 3,8 procent.

Het aandeel van de nettodividenden steeg tussen 1995 en 2003 van 4,4 tot 5,5 procent. Maar daarna zakte het terug tot 4,9 procent.

Bovendien is het fout te beweren dat die dividenden enkel een beperkte groep vermogenden ten goede komen. In tien jaar tijd steeg het percentage van de bevolking dat aan pensioensparen doet van 29 naar 40 procent. Ook andere indicatoren wijzen in de richting van een democratisering van het aandelenbezit.IB

© Mediafin