Belgische overheid zeer inefficiënt

Auteur: 
Stijn Decock

We betalen veel belastingen maar krijgen er ook veel voor terug, zo krijgen we vaak te horen. Maar klopt dit wel? Als we de dienstverlening van de overheid relateren tot het pakket belastingen dat we daarvoor betalen, dan komt de Belgische burger er zeer bekaaid vanaf.

Efficiëntie van de overheid

Er bestaan heel wat lijstjes waarin de belastingsvoet of het overheidsbeslag van landen met elkaar vergeleken worden. Een overzicht van wat de burger in de plaats krijgt voor dit belastingsgeld bestaat veel minder. De regel is niet dat hoe lager de belastingen liggen, hoe beter dit vanuit macro-economisch standpunt is. De keuze voor de hoogte van de belastingen hangt eerder af van de politiek-culturele voorkeuren van een land. Het ene land opteert voor een lage belastingsvoet (bv Angelsaksische landen) waarbij de burger zelf in heel wat basisvoorzieningen moet voorzien. Een ander land opteert voor een hoge belastingvoet (bv Scandinavische landen) maar organiseert heel wat zaken, zoals sociale zekerheid en onderwijs eerder collectief.

De burger in het land met de lage belastingen is niet per sé beter of goedkoper af dan in het andere land. Het kan best zijn dat de burger voor het totaalpakket onderwijs, sociale zekerheid, transport, veiligheid... duurder af is als hij veel zelf moet bekostigen. Er bestaan bijvoorbeeld goede en slechte privé treinmaatschappijen, net zoals er goede en slechte publieke treinbedrijven zijn. De regel lijkt eerder dat de organisatie (kwaliteit en prioriteiten van het management, motivatie en bekwaamheid van het personeel, omschrijving van de opdracht…) van de dienstverstrekker bepalend is voor de kwaliteit en de kostprijs.

Dus, hoe meten we de efficiëntie waarmee belastingsgeld wordt gespendeerd? Een groep rond de Leuvense economieprofessor Wim Moesen doet al jaren onderzoek naar de efficiëntie en kostprijs van de overheden. Zij komen steevast tot de conclusie dat de Belgische staat in vergelijking met andere overheden veel kost in verhouding tot de geleverde diensten. Vooral het hoge aantal ambtenaren springt telkens in het oog.

De burger betaalt echter niet alleen belastingen voor de overheidswerking zelf, zoals Moesen met zijn studies meet. Hij betaalt voor een totaalpakket waarvan veiligheid, welvaart, ontwikkelingsmogelijkheden en langetermijn groeipotentieel ook deel uitmaken. Hoe meet je die omgevingsfactoren? Petercam gebruikt voor de landenselectie in zijn duurzaam obligatiefonds een duurzaamheidsranking van landen van de OESO. Deze ranking wordt opgesteld aan de hand van 53 welbepaalde indicatoren, die het totaalpakket weergeven van wat een land biedt aan zijn burgers, ook de toekomstige generaties. Ze geeft dus eigenlijk de verschillen in levenskwaliteit tussen landen weer.
De gebruikte indicatoren zijn opgedeeld in vijf hoofdcategorieën: transparantie en democratische waarden (oa corruptie-index, vrouwenrechten, criminaliteit...), onderwijs, gezondheid en welvaart, milieu en een klein luik economie. Een belangrijke voorwaarde om als indicator opgenomen te worden is de mate waarin het beleid er vat op heeft. Bij hernieuwbare energie wordt bijvoorbeeld sterk rekening gehouden met de geografische mogelijkheden van een land. Deze indicatoren krijgen een gewicht mee volgens belangrijkheid en er wordt een score op 100 per land opgemaakt.

Tabel 1: Duurzaamheidsranking

 

 

2010

1

Zweden

75.54

2

Denemarken

73.38

3

Noorwegen

69.79

4

Nederland

68.94

5

Finland

68.81

6

Zwitserland

68.80

7

Nieuw-Zeeland

64.28

8

Ijsland

63.73

9

Oostenrijk

63.33

10

Duitsland

62.69

11

Canada

61.42

12

Luxemburg

59.83

13

Verenigd Koninkrijk

59.06

14

Australië

58.93

15

Frankrijk

58.64

16

Ierland

57.97

17

België

57.42

18

Japan

56.99

19

Spanje

53.90

20

Portugal

52.06

21

Tsjechië

51.55

22

Korea

50.98

23

Slovakije

50.64

24

Italië

48.98

25

Hongarije

48.37

26

Polen

47.91

27

Verenigde Staten

46.81

28

Griekenland

40.95

29

Mexico

37.67

30

Turkije

35.87

 Bron: Petercam

In tabel 1 zie je een resultaat dat goed aan de intuïtieve verwachtingen beantwoordt. De top-3 wordt ingenomen door Scandinavische landen. Dat zijn dus landen die een hoge levenskwaliteit bieden aan hun burgers. Opvallend is de sterke score van Nederland op plaats 4. België schommelt ergens halverwege.

Wanneer we naast die ranking het overheidsbeslag in % van het bbp zetten en we dit delen door de duurzame ranking, dan krijgen we een soort 'waar voor je geld' ranking. Hoeveel kost het de belastingbetaler om een hoge score in de duurzaamheidsranking te verwerven? Zweden haalt bijvoorbeeld slechts 1,6 op de ‘waar voor je geld’ ranking. Het scoort het best in de duurzame ranking maar als burger betaal je stevig voor die levenskwaliteit. Nummer één in de 'waar voor je geld' ranking is Zwitserland. Een land dat hoog scoort op duurzaamheid maar waar het overheidsbeslag toch een stuk lager ligt dan in de Scandinavische landen. Opvallend is dat enkele landen die laag scoren in de duurzaamheidsranking toch nog hoog scoren in de ‘waar voor je geld’ ranking. Je krijgt als burger weinig, maar je hoeft er ook niet echt veel voor te betalen. Het Ryanair-principe als het ware. België scoort in deze 'waar voor je geld' ranking de derde laatste plaats. We betalen veel belastingen maar krijgen weinig terug.

Tabel2: ‘Waar voor je geld’ ranking

 

Land

Duurzaamheids-score/overheids-beslag

Duurzaamheidsscore

Overheidsbeslag (in % van het bbp)

1

Zwitserland

2.34

68.80

29.4

2

Ierland

2.06

57.97

28.2

3

Japan

2.01

56.99

28.3

4

Korea

1.92

50.98

26.6

5

Australië

1.91

58.93

30.8

6

Canada

1.91

61.42

32.2

7

Nieuw-Zeeland

1.86

64.28

34.5

8

Mexico

1.85

37.67

20.4

9

Nederland

1.84

68.94

37.5

10

Ijsland

1.77

63.73

36

11

Verenigde Staten

1.74

46.81

26.9

12

Slovakije

1.73

50.64

29.3

13

Duitsland

1.72

62.69

36.4

14

Noorwegen

1.66

69.79

42.1

15

Verenigd Koninkrijk

1.65

59.06

35.7

16

Spanje

1.63

53.90

33

17

Finland

1.61

68.81

42.8

18

Zweden

1.60

75.54

47.1

19

Luxemburg

1.56

59.83

38.3

20

Turkije

1.53

35.87

23.5

21

Denemarken

1.52

73.38

48.3

22

Oostenrijk

1.48

63.33

42.9

23

Portugal

1.43

52.06

36.5

24

Tsjechië

1.41

51.55

36.6

25

Polen

1.38

47.91

34.8

26

Frankrijk

1.36

58.64

43.1

27

Griekenland

1.31

40.95

31.3

28

België

1.30

57.42

44.3

29

Hongarije

1.21

48.37

40.1

30

Italië

1.13

48.98

43.2

Bron: OESO, Petercam, eigen berekeningen

Meer voor minder of minder voor meer?

Die spanning tussen wat we betalen en wat we slechts terugkrijgen dreigt verder op te lopen wanneer de overheden in de komende jaren moeten besparen. De belastingen zullen nauwelijks dalen terwijl er op de overheidsdiensten zwaar bespaard moet worden. Wil de overheid de spanning tussen wat ze vraagt en aanbiedt niet nog vergroten, dan zal ze moeten besparen op een manier die de output weinig vermindert. 'Meer met minder' moet het uitgangspunt zijn. Besparen door efficiëntiewinsten of door weinig (maatschappelijk) renderende activiteiten te schrappen.

Eenvoudig zal dat niet zijn, aangezien de politieke overheden liever de 'weg van de minste weerstand' kiezen in plaats van de 'meer met minder' methode. Concreet betekent dit dat een overheid vooral daar gaat besparen waar ze het minst weerstand ondervindt, bijvoorbeeld op wegenonderhoud in plaats van op het overheidspersoneel. Dit was zeker het geval bij de besparingen van de jaren '80; forse besparingen in infrastructuurwerken (we zien het resultaat nu elke dag) en nauwelijks afslankingen in het overheidspersoneel of in statuten en structuren. Of de sterk beschermde oudere ambtenaren ontzien ten nadele van de minder mondige, jongere ambtenaren die met een tijdelijk contract werken. Vooral in het zuiden van het land is dat zichtbaar: een heel groot ambtenarenapparaat maar lamentabele wegen vanwege geen geld voor onderhoud. De recente besparingen bij de VRT lijken hierin ook te passen. Vooral besparingen op de externe productiehuizen, die vaak kostenefficiënter en kwalitatiever werken dan de VRT zelf en (op het eerste zicht) weinig besparingen in de hoge overhead van de VRT zelf. Forse besparingen op dramareeksen, terwijl uit kijk- en waarderingscijfers blijkt dat dit product net het meest wordt gewaardeerd door de belastingbetaler. 

Een nieuwe besparingsronde moet dan ook doordacht verlopen. Geen nachtelijk gebricoleer op een ministerraad met een machtsspel van partij- en middenveldbelangen waarbij links- en rechts op departementen bespaard wordt. Besparingen moeten gebeuren zoals dat bij een goed geleid bedrijf gebeurt: inventariseren wat iedere dienst kost en vervolgens kijken tegen welke kostprijs en aan welke kwaliteit de concurrentie (zijnde andere landen) die dienst verleent. Aan de hand daarvan moet zonder taboes een besparingsplan opgesteld worden. Bij diensten die inefficiënt werken, moet er fors bespaard worden (en dit kan ook betekenen personeel laten afvloeien), diensten die kostenefficiënt werken moeten minder besparen. Daarnaast kan met goede regelgeving de maatschappelijke output eveneens verhoogd worden, zonder dat dit de belastingsbetaler geld moet kosten. ‘Meer met minder’ om de belastingsbetaler meer waar voor zijn geld te geven. Hopelijk wordt het geen ‘Minder voor meer’.