Begroting blijft harde noot om te kraken

Dat we nog geen nieuwe regering hebben, wil niet zeggen dat de overheidsfinanciën een slapend bestaan leiden. Zelfs een positief geluid over het begrotingstekort mag volgens niet al te optimistisch worden geïnterpreteerd. Lees hier het artikel zoals gepubliceerd op 20 september in De Standaard.

Beter dan verwachte groei

Het Belgische begrotingstekort zal in 2010 een kwart lager uitvallen dan begin dit jaar nog werd gevreesd. In plaats van een tekort van 6 procent schuiven we op in de richting van 4,5 procent van het bruto binnenlands product. Een verschil van 5 miljard euro. Vooral de betere economische vooruitzichten liggen aan de basis van deze verbetering. Eind vorig jaar waren we al blij indien de economie in 2010 met een half procentje zou groeien. Vandaag verwacht het Planbureau een groei van 1,8 procent.

De daling van het begrotingstekort is spectaculair maar zeker geen verrassing. In mei was de groeiprognose al opgetrokken tot 1,4 procent. Het stond in de sterren geschreven dat het tekort fors zou afnemen bij een herpakkende economie. Het echte nieuws is dat zelfs met deze onverhoopte groeiprognose van 1,8 procent het begrotingstekort nog altijd 4,5 procent zal bedragen. Dat wordt hoe dan ook een harde dobber. Zeker als je weet dat de potentiële groei van de Belgische economie momenteel door de meeste deskundigen ter zake tussen de anderhalf en twee procent wordt ingeschat. De potentiële groei geeft aan waar het gezonde lange-termijngroeiritme van een economie zich bevindt, los van recessies en zonder kunstmatige stimuli, zoals opgedreven overheidsuitgaven en/of vastgoed- of andere zeepbellen. Met andere woorden: na een krimp van drie procent vorig jaar zou, volgens de recentste cijfers van het Planbureau, de economie dit jaar al min of meer aanknopen met haar potentieel niveau.

Smelten

Dan wordt meteen duidelijk dat er aan de kant van de conjunctuur geen bijkomende begrotingsmeevallers moeten worden verwacht. De overblijvende 4,5 procent zal niet smelten als sneeuw voor de zon. Maar wat zit er dan in die harde kern van de kokosnoot en hoe moeten we die zien te kraken?

Het structureel deficit dat los staat van de recessie en andere conjuncturele factoren wordt vooral opgebouwd door de toenemende vergrijzingkosten. Daarnaast moeten we rekenen met structureel hogere werkloosheidsuitgaven, het negatief effect van maatregelen die werden uitgesteld (zie uitholling generatiepact) en het feit dat onze productiviteitsgroei fel is vertraagd. Dat laatste haalt overigens het economisch groeipotentieel onderuit waardoor de kosten van de vergrijzing nog zwaarder zullen doorwegen dan aanvankelijk gedacht. Het hierboven geciteerde potentieel van 1,8 procent groei op jaarbasis houdt hier terdege rekening mee en is al een neerwaartse bijstelling ten opzichte van het historisch gemiddelde van twee procent.

De vraag die nu voorligt is hoe de regering dit structureel tekort kan wegwerken? Hoe krijgen we het hardnekkig cijfer van 4,5 procent van de tabellen geschrapt? Om dit op enkele jaren tijd te kunnen realiseren, zal er behoedzaam moeten worden gewerkt. Meer bepaald zal de regering minutieus moeten incalculeren dat de begrotingsinspanningen serieus kunnen wegen op het groeipotentieel van de economie. Zo dreigt men in een vicieuze cirkel terecht te komen. Gedegen economisch onderzoek leert echter dat om die spiraal te ontlopen een saneringsoperatie aan de kant van de uitgaven meer kans op succes heeft dan het verhogen van de belastingsdruk. Om te beginnen moeten overheden bekijken of het geen tijd wordt om de crisismaatregelen terug te schroeven. Een volledige afbouw van de relancemaatregelen zou het begrotingstekort met 700 miljoen euro verminderen. Dat een dag na de bekendmaking van de betere begrotingscijfers gewag wordt gemaakt van een verlenging van deze crisismaatregelen is verontrustend ('waarom nog stimuleren als we al met 1,8 procent groeien').

Een sanering aan de kant van de uitgaven betekent verder dat men het overheidsapparaat stroomlijnt en een strikte uitgavennorm zou implementeren. De helft van de ambtenaren die de komende jaren met pensioen gaan niet vervangen zou initieel 200 miljoen euro besparing opleveren. De opbrengst van deze maatregel loopt elk jaar ongeveer op met eenzelfde bedrag tot 2 miljard tegen 2020. Verder kunnen strikte uitgavennormen per departement heel snel 1 à 2 miljard euro aan besparingen opleveren. Tal van studies tonen aan dat ons land hier over een grote marge beschikt. Zonder te raken aan de dienstverlening kan het Belgische overheidsapparaat via efficiëntieverbeteringen voor vele miljarden euro's aan besparingen doorvoeren.

Harde kokosnoot

Een duurzame saneringoperatie van de openbare financiën kan tenslotte niet voorbij aan een aantal fundamentele mankementen in ons arbeidsmarktbestel. Vandaag kampt de sociale zekerheid met een structureel tekort van meer dan 25 miljard euro. Hoewel dit gat wordt opgevuld met algemene belastinginkomsten is dit in een context van vergrijzing niet vol te houden. Om de balans tussen inkomsten en uitgaven binnen de sociale zekerheid meer in evenwicht te brengen, moet daarom de tewerkstellingsgraad fors omhoog. Dit kan enkel door het arbeidsaanbod te verruimen en de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt te maximaliseren. Alleen al het invullen van de knelpuntvacatures in Vlaanderen zou de schatkist op jaarbasis netto 1 miljard euro opleveren. Een deel van die opbrengsten zou kunnen gebruikt worden voor het wegwerken van de financiële werkloosheidsvallen, wat de activeringsgraad opnieuw ten goede komt. Dit zou op zijn beurt de potentiële groei van onze economie opdrijven. Zo kunnen we terecht komen in een positieve spiraal. Dat is nodig, zeker als we de harde kokosnoot van de Belgische begroting definitief willen kraken.