Banksector zware last voor overheidsbudget

Beleidsvoerders over de hele wereld hebben dezer dagen de mond vol over relanceplannen. Expansief budgettair beleid zal evenwel een druppel op een hete plaat blijken zo lang de banksector zich niet herstelt. Om bedrijfskredieten te laten stromen, zijn overheden verplicht om grote banken te ondersteunen, koste wat kost.

En deze ondersteuning kost wel degelijk handenvol geld, zoals eens te meer bewezen wordt door een onderzoeksrapport van BNP Paribas (die overigens persoonlijke ervaring heeft ter zake). Zij zetten de onthutsende cijfers, zoals bekend op 12 februari 2009, op een rijtje.

 

Zoals figuur 1 illustreert, leeft de wereldwijde banksector bij gratie van de overheid. De bedragen die gepompt worden in de financiële sector zijn ronduit hallucinant. Zowel in absolute termen (meer dan 2000 miljard euro voor de EMU!), als in relatieve termen (50% van de totale jaarlijkse productie voor Nederland!). Ierland spant telkens de kroon; vooral de staatswaarborgen liggen op een torenhoog niveau voor een dergelijk klein land. Het moge duidelijk zijn dat de banksector in Ierland, maar ook elders, als een kaartenhuis in elkaar zou storten mochten beleidsvoerders hun steun intrekken.

Geen weggegooid geld

De vermelde bedragen vormen niet noodzakelijk een verlies voor de overheden in kwestie. Overheidswaarborgen worden niet (hopelijk) niet tot de laatste euro aangewend. Gedeeltelijke nationaliseringen, kapitaalinjecties of (vaak dure) staatswaarborgen zijn geen weggegooid geld voor de staat. Eens de banksector van het overheidsinfuus kan, kunnen participaties in banken bijvoorbeeld terug verkocht kunnen worden. Het is zelfs niet geheel uitgesloten dat, op de lange termijn, de overheid hier een winst aan overhoudt.

Redenen tot pessimisme

Een meer waarschijnlijk scenario is evenwel dat belastingbetalers overal ter wereld wel degelijk zwaar in portefeuille moeten tasten. Bankencrisissen in het verleden hebben de staatsfinanciën immers over het algemeen laten bloeden. Uiteindelijk draaien overheden op voor herverpakte rommelhypotheken en andere twijfelachtige financiële producten. Dit zijn geen goede beleggingen, noch voor de privé-sector, noch voor de overheid. Op zijn best kunnen overheden de schade beperken.

Een tweede bedenking is dat bijgevoegde tabel de problematiek nog onderschat. België is een goed voorbeeld in dit verband. De totale kost voor de ondersteuning van de bancaire sector bedraagt ‘slechts’ 6 procent van het BBP, maar in dit bedrag zijn de staatsgaranties niet inbegrepen omdat de exacte omvang van mogelijke staatswaarborgen onbekend is (voor BNP Paribas). België staat hiermee niet alleen. Daarenboven kunnen verdere verslechteringen in de kapitaalspositie van financiële instellingen verdere staatsingrepen noodzaken, waardoor de ondersteuning nog verder oploopt.

Bang for your buck?

Hoewel de kosten op termijn waarschijnlijk ten dele gerecupereerd kunnen worden, moeten overheden momenteel wel schulden opbouwen om banken draaiende te houden. Dit maakt het moeilijk om daarnaast ook nog een volwaardig expansief budgettair beleid door te drukken. Bovendien kunnen er vragen gesteld worden bij de effectiviteit van de beleidsingrepen. Al te vaak wordt de ene kapitaalinjectie gevolgd door een andere, waardoor de indruk gewekt wordt geld te storten in een bodemloze put. Tevens zien ondernemingen uit de niet-financiële sector (die veel minder kunnen rekenen over overheidssteun) zich geconfronteerd met een kredietverstrakking. Alle overheidsinspanningen ten spijt, blijven bankleningen duurder en moeilijker beschikbaar dan pakweg één jaar geleden. De overheid ziet met andere woorden relatief weinig terug voor zijn geld.

Tabellen

Tabel 1: Ondersteuning voor de banksector

Staatsondersteuning voor banksector